26-10-2022

Lessen uit het Joodse leven, les 4

Leren de aarde te heiligen, te bedienen en te bewaren

door Ds. R. Strijker

Een unieke situatie voor het Joodse volk

Het Joodse volk verkeert in een unieke situatie. Er is geen ander volk op aarde aan wie door God Zelf zo duidelijk een stukje van Zijn aarde is toegewezen als een woonplaats voor altijd. Sterker nog, het Joodse volk mag wonen op een stukje aarde dat God speciaal als Zijn eigendom beschouwt. De hele aarde is van Hem, maar op het land dat eerst aan één van Noach’s kleinzonen toebehoorde, aan Kanaän, heeft God de Schepper speciaal beslag gelegd: ‘Mijn Land’ (Joël 3 vers 2: ‘en Mijn Land hebben zij verdeeld’). Dit stukje aarde op het snijpunt van drie continenten, met de Berg Tsion in het centrum, is ook Zijn speciale Woonplaats: ‘Want de HERE heeft Tsion verkoren, Hij heeft het Zich ter woning begeerd: dit is Mijn rustplaats voor immer, hier zal Ik wonen, haar heb ik begeerd (Psalm 132: 13,14). Het Land Kanaän, met Tsion in het centrum en met het volk Israël als Zijn hoveniers of grondpersoneel, is Gods startplaats voor de herschepping, de heiliging en de bescherming van heel Zijn aarde.

Een goede hovenier

Het Joodse volk heeft bewezen een goede hovenier te zijn voor het land Kanaän. Dit stukje land, waar praktische alle landschappen die de aarde rijk is, aan elkaar zijn geschakeld – bergen en diepe dalen, landbouwgrond en woestijn, meer en strand, is eeuwenlang door andere volken bewoond, letterlijk: uitgewoond, ontstellend verwaarloosd. In 1905, nog maar net 100 jaar geleden, schreef dr. Abraham Kuyper in zijn reisverslag over verlaten steppen en dampende moerassen.

In de vorige eeuw hebben Joodse pioniers deze eeuwenlang verwaarloosde aarde van het hun Beloofde Land totaal hersteld. Dorre steppen, ja grote delen van de Negev woestijn is gaan bloeien en dampende moerassen zijn herschapen in vruchtbare akkers.

Als geen ander volk heeft het Joodse volk een uitzonderlijke liefde getoond voor het hun Beloofde stukje aarde.

De ellende van onze moderne stadscultuur

Wat is hier de les? Het gaat niet goed met onze aarde. Dagelijks gaan wereldwijd vele hectares kostbare landbouwgrond verloren door onzorgvuldig en ondeskundig gedrag. Al meer dan zestig jaar is er strijd vanuit de moslimwereld om het bezit van het oude Kanaän, maar intussen dringen vooral juist in de moslimlanden de woestijnen op. Alleen al in Afrika gaat elk jaar door verwoestijning een stuk akkerland verloren zo groot als de omstreden ‘Westbank’, het hartland van Kanaän. Wereldwijd laten jaarlijks honderdduizenden boeren Gods goede aarde in de steek en trekken naar de krottenwijken in propvolle steden met alle ellende van dien. Het woord ‘ellende’ betekent letterlijk: ‘el= ex= uit het land zijn. Vanuit die Afrikaanse en Aziatische ellende zoeken jaarlijks tienduizenden hun heil in het overvolle Europa met alle nieuwe ellende van dien. Het is een schrijnend gegeven dat ruim veertig jaar geleden Joodse deskundigen, de ‘groenmakers van de Negev’ die in de Sahellanden de Afrikaanse bewoners ondersteunden in hun strijd tegen de opdringende Sahara woestijn, onder druk van Arabische Liga, het land werden uitgezet.

* De Hebreeuws-Bijbelse cultuur met zijn liefde en hoop voor deze aarde staat lijnrecht tegenover de Hellenistische Grieks-Romeinse cultuur die een dubbelhartige houding heeft tegenover de aarde en het aardse: enerzijds tracht men de aarde te beheersen, te benutten en zo nodig in eigen belang uit te buiten, tot aan totale verwaarlozing. Anderzijds tracht men de aarde en het aardse te ontvluchten door omhoog te streven, via geestelijke mystieke oefeningen.

De aarde heiligen: alles min één

Het Joodse volk doet meer dan alleen Gods aarde bewerken, bezaaien en beplanten. Als geen ander volk is Israël een eredienend volk dat de tijd en de aarde door dankzeggingen (bêrákhóth) verbindt met God de Schepper. Anders gezegd: het is een volk dat als geen ander de aarde heiligt = met de Heilige in verbinding brengt. Met een krans van dankzeggingen, dagelijks, wekelijks en in de loop van het jaar worden de aarde en haar opbrengsten omringd en opgetild tot God de Gever: ‘Het komt alles van U en wij geven het U uit Uw Hand’ (1 Kronieken 29:14).

Dit heiligen van de aarde is geen Joodse uitvinding, maar een unieke opdracht van HogerHand. Om het besef levend te houden dat Israël woont op gegeven en geleende grond, heeft God in Zijn Onderwijs aan Mozes op de Berg Sinaj voorgeschreven om de eerstelingen van de oogst en van het vee, en de tienden van het inkomen voor Hem te reserveren. Deze Mozaïsche richtlijnen zijn te zien als een nadere uitwerking van het gebod aan Adam in de Hof van Eden: ‘alle bomen zijn voor U, behalve één’ (Gen. 2:17). ‘Alles min één’ is de ‘simpele samenvatting’ van heel de Mozaïsche Torah: alle opbrengsten van de aarde, van het land en het vee zijn voor jullie, behalve de eerstelingen, alle inkomsten, behalve één tiende, alle dagen behalve één, de Shabbat.

* De bediening (abhodáh) van de aarde houdt de schepping in het Krachtenveld van de Schepper. Het centrum voor deze bediening, voor dit eerbetoon aan de Schepper is Jeruzalem met Tsion in het centrum. Jeruzalem is de Hofstad en de Lofstad. De Hófstad waar Israëls God als Koning resideert en de Lófstad waarheen de volken kunnen samenstromen om deze Immanuël, deze ‘God met ons’ te loven en te prijzen (Micha 4:1-4).

Een volk van Godlovers

Het Joodse volk is het enige ter wereld dat zich zo strikt mogelijk aan deze regels tracht te houden. Het is met recht een volk van Godlovers: de naam Jood/Jêhudáh/Juda komt van het werkwoord jádáh: loven, prijzen. Het Joodse volk dankt God niet alleen dagelijks en wekelijks in duizenden synagogen voor Zijn goede aarde, maar ook daarbuiten in het openbaar en thuis aan de huistafel. Men dankt voor het goede land, voor Erets Jisraël en ook voor de zee. Als men na lange tijd voor het eerst weer de zee ziet, zegt men een bêrakháh: Barukh Atah Adonai ‘Elóhenú, Melekh ha‘ólám oseh maáseh bereshiet (Gezegend zijt Gij HERE onze God, Koning der wereld Die de beginselen van de schepping schept).

De publieke dankzegging krijgt volksbreed gestalte in de volksfeesten van voor- en najaar: Pesach is behalve bevrijdingsfeest een dankfeest voor de beginnende graanoogst, het Wekenfeest/Shabhu`oth houdt de gedachtenis gaande aan de ontvangst van de Torah op de Sinaj, maar tegelijk viert men het einde van de graanoogst. Het Sukothfeest is in feite het toppunt van de publieke dankzegging: een vrolijk volksfeest ter herinnering aan de Intocht in Erets Jisraël en tegelijk de viering van het einde van wijnoogst. Maar het hart van het Joodse vierende, dankzeggende volksleven klopt aan de huistafel, in de gezins- en familiekring. De hele reeks van bêrákhóth spitst zich toe in de dagelijkse dankzegging aan over het brood en in het weekend over de wijn: Báruch ‘Atáh ‘Adonaj ‘Elohénú, Melekh haolam, hamotsí lechem min ha’arets – boréj perí hagaphen (Gezegend zijt Gij, Koning van de wereld, Die het brood uit de aarde doet voortkomen…. Die de vrucht van de wijnstok schept). Het Joodse leven is een volwassen, mondige volkssamenleving: een volks-‘samenloving.’

Wat is voor ons de les?

Vroeger kende men in ons land de jaarlijkse dankdag voor het gewas, maar in onze geïndustrialiseerde en geseculariseerde samenleving is dit allang niet meer een volksbrede dankzeggingsdag. In het openbaar danken voor een lunch of diner is bijna al gênant geworden en in vele gezinnen is zelfs het stil gebed voor het eten versleten. Wellicht houdt dit ook verband met het merkwaardige feit dat het uitspreken van de dankzegging over brood en wijn – in het Jodendom hét privilege van ouders en familieoudsten (presbyters) – in kerkelijke kring hét monopolie is geworden van priesters en predikanten. De jaarlijkse Christelijke feestdagen hebben nog wel een rijke geestelijke inhoud, maar met de loskoppeling van de Joods-Bijbelse feesten, is ook de koppeling met de aarde verloren gegaan.

Het terugdringen van de dankzegging uit het publieke domein, de ‘ont-loving’ van onze moderne samenleving, hangt vooral ook nauw samen met het opdringen van de oud-Hellenistische stadscultuur. We leven nog wel ván de aarde, maar in overgrote meerderheid niet meer óp het land. Vrijwillig hebben wij ons verbannen van het ons beloofde land en hebben we ons laten opsluiten in betonnen steden, in torenhoge flats en massale kantoorgebouwen. Nog maar ruim een eeuw geleden woonde en werkte meer dan 80% van de bevolking wereldwijd op het platteland, nu minder dan 20 %, terwijl het platteland zelf ook steeds meer verstedelijkt en verindustrialiseert. We leven in een oververstedelijkte en oververtechniseerde cultuur waarbij in het publieke domein geen plaats meer is voor God onze Schepper en Bevrijder. De aarde is niet meer ons leef- en werkgebied, alleen nog ons ontspanningsterrein waar we in onze vrije tijd even kunnen ‘luchten’.

Door het vasthouden aan haar monopoliepositie wat betreft de uitoefening van de publieke eredienst en de dankzegging over brood en wijn, is de Kerk medeschuldig aan de ont-loving en de verdere secularisering van onze moderne samenleving. Dit in tegenstelling tot de Israëlische samenleving waar de Shabbat en de jaarlijkse feestdagen bij wet geregeld zijn en ook volksbreed, in diverse gradaties, gevierd worden. Bovendien heeft in het hele onderwijs in Israël de Bijbeltekst-studie een voornamen plaats, ook op de openbare scholen. Het is een examenvak waar men op zakken kan.

De natuur uit zijn verband?

Het is onmiskenbaar dat de Torah, het originele programma van God de Schepper, is afgestemd op een kleinschalige, agrarisch-ambachtelijke samenleving waar een centrale plaats is ingeruimd voor de dankzegging, voor de heiliging van de aarde, die schepping met de Schepper verbindt. Er is Bijbels gezien alle reden om ons af te vragen of de onrust in de aardkorst en de klimatologische onevenwichtigheid kan samenhangen met het leven in onze moderne seculiere stadssamenleving zonder publieke dankzegging, zonder dat de aarde en haar opbrengsten worden opgetild tot God de Schepper. Door het heiligen van de aarde, door woorden van dankzegging blijft de band met Boven intact.

De profeet Jeremia schreef aan de Joodse ballingen in Babel: ‘bouw huizen, leg tuinen aan en zoek de vrede voor de stad’ (29:5-7). Maar later profeteert hij over de ongeneeslijke ziekte van de Babylonische godloze stadscultuur en roept hij de ballingen op om Babel te verlaten en terug te keren naar Tsion: ‘Vlucht uit Babel, red uw leven, kom niet om in zijn ongerechtigheid’ (51:6-10)