Richtlijnen voor gemeenschap van tijd: ‘verdichtingstijden’
Nog meer dan voor het leven in gemeenschap van goederen staan er in de Bijbel richtlijnen voor het leven in gemeenschap van tijd met Israëls God. Hij is weliswaar de Altijd Aanwezige, met Wie wij op elk moment van de dag kunnen verkeren en in gesprek zijn. Maar toch zijn er bepaalde tijden waarop Zijn Aanwezigheid Zich voor ons wil verdichten: vaste tijden in de loop van de dag, van de week en in de gang van het jaar. In de Mozaïsche Torah heeft God uitdrukkelijk aanwijzingen gegeven voor het instellen van deze vaste tijden: ‘verdichtingstijden,’ ontmoetingstijden, tijden waarop het alledaagse leven stilstaat en iedereen, iedere huisgenoot, buurtgenoot, volksgenoot alle gelegenheid heeft voor de samenkomst met Hem. Deze verdichtingstijden of getijden* vormen het speciale onderwerp van deze Joodse lessen: de jaarlijkse, maandelijkse, wekelijkse en dagelijkse getijden, Pesachtijd (Pasen), de Shabhu‘othtijd (Pinksteren) en de Sukothtijd (Loofhutten), Rosh Chodesh (de eerste van de nieuwe maand) en Rosh haShanah (de eerste van het nieuwe jaar), Shabat, Rosh haShabhua (Zondag), Morgen en Avondgebed.**
* Het Hebreeuwse woord voor een afgezonderde tijd is מועד (mó`éd), afgeleid van het werkwoord: יעד (já`ad: bestemmen, bepalen): een mó`éd is een bestemde tijd. De eerste keer komt het voor in Genesis 1:14, waar het gaat over de zon en de maan die dienen voor het aangeven van de ‘vaste tijden‘ (mo`âdím, meervoud van mó`éd)).
** In Leviticus 23, waar de belangrijkste van deze door Hem vastgestelde vrije tijden (mo`âdím) worden genoemd, staat er uitdrukkelijk bij: ‘dit zijn de feesttijden des HEREN’ en ‘dit zijn Mijn feesttijden’ (Leviticus 23:2). In vers 4 wordt dit met nadruk herhaald: ‘dit zijn de feesttijden des HEREN.’ De wekelijkse rustdag en de andere mó`âdím (vaste tijden) zijn geen menselijke bedenksels, maar een instelling van Hem. Het gangbare spreken over ‘Joodse feesten’ kan ons op een dwaalspoor zetten: alsof deze mo`âdím (afspraken) slechts een Joodse aangelegenheid zijn, en voor ons niet (meer) interessant.
Zonder tijdsordening (ge-tijden) vervlakt de relatie
Voor het onderhouden van de liefdesrelatie met Israëls God zijn deze geregelde tijden of getijden onmisbaar; het zijn de steunpilaren, de ‘stijlen’ die de relatie ondersteunen. Zonder deze ‘ondersteuning gaat op den duur de relatie stuk. Zoals elke relatie, want ook al zijn in een huwelijk beide echtgenoten voortdurend in elkaars omgeving of althans altijd voor elkaar bereikbaar, al leven ze volledig in ‘gemeenschap van tijd’, toch zullen ze, om het samen vol te houden, bepaalde tijden in acht moeten nemen, waarop de ontmoeting zich verinnigt, zich ‘verdicht’. Daarvoor dienen de dagelijkse maaltijden en de ‘bedtijd’, maar ook de tijd aan de koffietafel of op een terrasje, of ook de tijd samen ver van huis op ‘pelgrimstocht’. Ook de stille tijd thuis samen bij de haard, terugblikkend op de dag of luisterend naar muziek is zo’n verdichtingstijd. Zonder deze gemeenschappelijke tijden of getijden vervlakt de relatie: geen enkel huwelijk houdt stand, als de partners elkaar niet of te weinig in deze ‘speciale settingen’ ontmoeten*.
Datzelfde geldt voor de relatie met Israëls God: zonder vieringen, zonder afgezonderde tijden voor lofzang en feestmaaltijd, verdwijnt Hij gaandeweg uit ons leven en samenleven. Zonder deze ‘stijl’, zonder deze ‘steunpilaren’ stort tenslotte de relatie in.
* Meer sociologisch gezegd: elke groep of samenlevingsverband (familie, vriendenkring of volk) heeft zijn eigen groepscultuur; een onderling samenhangend geheel van waarden, normen, doeleinden en verwachtingen. Deze cultuur wordt vooral levend gehouden door een op de groep afgestemde tijdsordening, elk met een eigen ‘ritueel’: elke samenlevingsverband heeft zijn van gedenkdagen, verjaardagen, feestjes, uitstapjes en andere speciale ontmoetingsactiviteiten. Tijdens deze ontmoetigen ‘circuleren’ de groepswaarden door de hoofden en harten van de groepsleden, worden ze herbeleefd waardoor de onderlinge verbondenheid, de groepsstructuur, wordt bevestigd. Zonder dit alles sterft de groepscultuur af en valt de groep uiteen
Een getijde is ‘afgesneden’ tijd: het negatieve ‘snijmes’
Deze ‘speciale settingen’, deze vaste tijden of getijden voor de ontmoeting met Israëls God zijn inderdaad speciaal: ze staan apart, ze zijn nadrukkelijk afgescheiden, ‘afgesneden’ van de gewone tijd. Hoe komt die scheiding tot stand? Hoe wordt een getijde ‘afgesneden’ van de gewone tijd? Hoe worden de wekelijkse rustdag en de jaarlijkse hoogtijdagen onderscheiden van de dagelijkse gang van zaken? Daarvoor dienen in hoofdzaak twee ‘snij-messen’, twee soorten handelingen, waarvan de één negatief is en de ander positief. Het negatieve ‘mes’ bestaat uit ‘niet doen’: niet werken, niet met de dagelijkse dingen bezig zijn. Als man en vrouw elkaar willen ontmoeten in een ‘speciale setting’ bij de open haard, maar de man blijft intussen de post doornemen of rent zo nu en dan naar de telefoon om nog wat zaken te regelen, komt er van de speciale ontmoeting niets terecht. Zo ook, als wij een afspraak hebben vastgesteld voor de ontmoeting met de HERE God, op de wekelijkse rustdag of de jaarlijkse feestdagen, dan moeten we gedurende die tijd stoppen met de gewone dingen van alle dag: ‘zes dagen zult gij arbeiden, maar op de zevende dag moet u niet werken.’ Het woord ‘Shabbat’ van het Hebreeuwse שׁבת (shábhat) betekent letterlijk ‘staken’: een Shabbatdag is een ‘staakdag’, een feestdag, een niks-doen-dag. Als we op die dag toch gewoon onze dagelijkse zaken blijven doen, gaan winkelen, wassen, strijken, huiswerk maken, komt er van de ontmoeting niets terecht, kan er geen sprake zijn van een getijde, van een ‘speciale setting’.
Het positieve ‘snijmes’: dankzegging en feestmaaltijd
Maar een stuk tijd afzonderen van de rest voltrekt zich niet alleen door negatieve handelingen, er moet ook iets positiefs gedaan worden. Het afgezonderde tijdsdeel moet bewust verbonden worden met Israëls God, anders blijft het leeg: lege tijd, die volloopt met andere dingen; niet zelden met afgoderij. Als we de vrije dag in het weekend leeg laten voor Hem, of als we de vrije Pesachtijd alleen maar vrijhouden voor vakantie – het woord ‘vakantie’ hangt samen met ‘vakant’ = letterlijk: ‘leeg’, onbezet’ – wordt die leegte, die ‘vakante tijd’ onweerstaanbaar ‘bezet’ door andere ‘machten’, die de tijd met ons willen delen. De leeggemaakte tijd, leeg van werk en financiële zorgen, moet bewust en uitdrukkelijk verbonden wordt met de HERE God door middel van een aantal verbindende handelingen.
De belangrijkste daarvan is de dankzegging: danken is een schakel leggen, een verbindingsschakel. Door aan het begin en aan het slot van de vrije tijd onze Schepper en Bevrijder uitdrukkelijk te bedanken, wordt dit hele tijdsdeel met Hem verbonden, en verbindt Hij Zich eraan, vult Hij de tijd met Zijn Aanwezigheid. Zo wordt de wekelijkse rustdag gevuld door middel van gebeds-getijde-diensten in de avond en de morgen. Deze diensten, deze avond- en morgengebeden, bestaan zonder onderbreking uit dankwoorden, Schriftlezingen en lofzangen.
Een ander belangrijk middel waardoor de ‘afgesneden’, afgezonderde dag geschakeld wordt met de HERE God is de maaltijd, de feestelijke maaltijd op de rustdag en de hoogtijdagen, waarbij in de Joodse traditie uitdrukkelijk aan het begin en aan het slot gedankt wordt voor Zijn gaven. Aan het begin dankt men speciaal voor de vrucht van de wijnstok en het dagelijks brood: in deze twee uitzonderlijke scheppingsgaven zijn letterlijk en symbolisch al Gods aardse en hemelse gaven, Zijn Liefde, Zijn Zelfovergave, samengevat. Aan het slot wordt een meer uitvoerig dankgebed uitgesproken, het zogenaamde ‘birkat hamazon’*, waarin God in het bijzonder ook geprezen wordt voor Zijn bevrijdend handelen in de geschiedenis, voor de gave van het Beloofde Land en voor het Beloofde herstel van Jeruzalem als middelpunt van het komende vrederijk.
Door deze twee verbindingsschakels, getijdediensten en maaltijden, wordt de leegte op de wekelijkse vrije dag en in de vakante tijd gedurende de feestdagen gevuld met Gods Aanwezigheid**. Want Hij troont op onze lofzangen. Dat is geen automatisme, maar wel een belofte die geldig wordt voor ieder die in Hem gelooft = in relatie met Hem leeft: ‘wie Mij aanroept zal Ik antwoorden’ en: ‘waar twee of drie in Mijn Naam bijeen zijn, daar ben Ik in hun midden’.
* Dit dankgebed na de maaltijd is gebaseerd op Deuteronomium 8:10: ‘als gij dan naar genoegen gegeten hebt, dankt dan de HERE, uw God, voor het goede land, dat Hij u gegeven heeft’.
** Een bijzonder hulpmiddel om de tijd ‘af te snijden’, te heiligen, voorafgaande aan dankzegging en feestmaaltijd, is het afleggen van de dagelijkse kleren en het afwassen van het ‘vuil van de dag’: de reiniging van het lichaam en aandoen van schone kleren, feestkleding. Het wassen van de handen vóór de dagelijkse maaltijd, voor het uitspreken van de dankzegging over het brood, staat in datzelfde kader als ‘heiligende handeling’.
Afgezonderde tijd is heilige tijd: ‘tempels in de tijd’
Door deze positieve handelingen, door dankzegging en lofzang, wordt de tijd pas echt apart gezet, afgezonderd, afgesneden van de overige tijd. Zo wordt de tijd letterlijk ‘geheiligd’ = met ‘de Heilige verbonden’. Want de grondbetekenis van ‘heilig’: is ‘afgezonderd zijn’, ‘apart gesteld’. De God van Israël is dé Aparte bij uitstek, dé Ene, dé Unieke. Door zo bewust en uitdrukkelijk een tijdsdeel met Hem, de Heilige, te verbinden, krijgt dit tijdsdeel zijn uitzonderlijke en heilige karakter. Of anders gezegd: krijgt het zijn ‘gewijde’ karakter, wordt het toe–gewijd aan Israëls God. Een getijde is ‘gewijde tijd’, een tijd die daardoor ook ‘wijd’ openstaat voor de ontmoeting met Hem. De Joodse rabbijn Abraham Heshel noemt deze gewijde tijden ‘tempels in de tijd’: heiligdommen zijn het, waarin God wil wonen en waarin wij met Hem mogen verkeren, samen als bruid en Bruidegom.
Getijden zijn startplaatsen: heel de tijd is Zijn Tijd
Dit apart zetten van bepaalde tijdsdelen, dit bouwen van ‘tempels in de tijd’ heeft duidelijk geen doel in zichzelf. De dagelijkse getijden, deze ‘tempeltjes’ in de morgen en in de namiddag zijn geen vluchthavens waarin we ons terugtrekken of ontrekken aan de harde werkelijkheid, maar het zijn de startplaatsen voor de heiliging van heel het leven. De apart gezette, heilige tijden zijn bedoeld om heel de tijd te trekken in het krachtenveld van de Heilige, de Aparte. De Shabbat is een startplaats voor de heiliging van heel de week en de jaargetijden van Pesach, Shabhú’óth en Sukoth zijn de bruggenhoofden voor de heiliging van heel het jaar. Want heel de tijd is Zijn Tijd en alle dagen, alle uren wil Hij vullen met Zijn Aanwezigheid
*In principe staat niet de ene dag bóven de andere of het ene dagdeel bóven het andere, maar zij gaan vóór de anderen, vóórop als voortrekkers. Want ‘alle dagen zijn gelijk’ (Romeinen 14:5), alle dagen zijn in gelijke zin dagen van God. Maar ze moeten het ook wórden en daartoe mag men op Gods aanwijzingen een uitgangspunt nemen in bepaalde tijdsdelen.
Een getijde is een vaste afspraak op een vaste tijd
Een getijde is niet alleen ‘afgesneden’ van de gewone tijd, maar staat ook steeds op een vaste tijd, een tijd die lang van tevoren is vastgesteld of te berekenen is: een vaste dag in de week, in de maand, of een aantal vaste dagen in de loop van het jaar. Dat element van de vaste afspraken is kenmerkend voor elke liefdesrelatie. Als een jongen en een meisje verliefd raken en verkering krijgen, maken ze meestal meteen een afspraak voor een regelmatige ontmoeting: we zien elkaar ‘s woensdagsavonds of in het weekend, daar en daar. Als ze dat niet doen, geen vaste tijden afspreken, maar het op toevallige ontmoetingen laten aankomen, verwatert de relatie vast en zeker. Vaste afspraken zijn een wezenlijk onderdeel van een vaste relatie. Ook later in het huwelijk moeten men de agenda op elkaar afstellen: op die en die tijden kunnen we op elkaar rekenen. Datzelfde geldt voor de relatie met Israëls God. Hij heeft Zijn Agenda erbij gehaald en een aantal vaste afspraken gemaakt met Zijn volk, Zijn bruid: elke laatste dag van de week, elke eerste dag van de maand, elk voorjaar en elk najaar. Ja, Hij heeft ons voorgesteld om elke dag een korte tijd af te zonderen in de morgen en in de avond, om dan even stil te staan, te stoppen, te staken en met Hem te verkeren, iedere werkdag aan het begin en aan het einde, in het morgen en avondgebed.* Uitdrukkelijk en uitvoerig heeft Hij al deze afspraken vastgelegd in Zijn Torah: dan en dan, wekelijks, maandelijks en in de loop van het jaar rekent Hij er op, dat we er zijn. Op Hém mogen we rekenen, maar Hij rekent ook op óns. Daarom kan Hij ons eventueel vragen: ‘Waar was u gisteren, gistermorgen? Waarom was u niet in de samenkomst? Dat was toch volgens de afspraak, zoals het geschreven staat in Mijn Agenda, in Mijn Heilige Schrift !’
*Bij de jaarlijkse getijden, die zeven dagen duren, zoals Pesach en Sukoth, is de eerste en de laatste dag een volledig vrije dag, een volkomen ‘Shabbat’. De vijf tussenliggende dagen, die in principe gewone werkdagen zijn, zijn volledig door de rust van de omlijstende rustdagen gekarakteriseerd. Bovendien valt in deze vijf dagen meestal ook nog een gewone Shabbat! Praktisch is dus een getijde ook een ‘gewijde’ week: een heilige week.
Gemeenschappelijke vrije tijd
Hij rekent inderdaad op óns, op ons tezamen. Want behalve de twee genoemde kenmerken van een getijde – aparte tijd, losgesneden van de gewone werktijd, en vaste tijd, van tevoren vastgelegd – is het derde kenmerk dat het altijd gaat om gezamenlijke vrije tijd. Uitdrukkelijk staat bij het Shabbatsgebod: dan zult gij zult geen werk doen, gij niet, maar ook uw zoon niet en uw dochter niet, ook uw dienstknecht of dienstmaagd niet; zelfs het werkvee moet vrijgesteld van werk (Exodus 20: 8-11). Een persoonlijke vrije dag is radicaal iets anders dan een gemeenschappelijk vrije dag. Niet alleen omdat men dan samen vrij is met het hele gezin, de familie, de buurtgenoot, de volksgenoot – even zijn we vrije tijdgenoten- maar vooral ook omdat er dan gelegenheid is om samen te eten, te zingen, te bidden en een gezamenlijke ervaring te hebben van tijdgenoot van God te mogen zijn en daardoor juist van elkaar. Want een dag helemaal vrij voor God, onze Tijd-Genoot betekent zowel bevestiging van de band met Hem als van de onderlinge band. Het merkwaardige is zelfs dat op een gemeenschappelijke vrije dag het net is alsof ook de natuur anders is, anders klinkt, anders ruikt. Het is wellicht helemaal geen kwestie van ‘alsof’, maar een realiteit: heel de schepping zucht met de kinderen Gods (Romeinen 8:22), maar zingt ook met hen mee tot lof van de Schepper (Psalm 148:1-10).
Een keurslijf? Wetticisme?
Een vraag die in alle eeuwen, tot op de dag van vandaag toe, de Christenheid verontrust (heeft) en soms een excuus gaf (geeft) is, of deze strakke, vaste manier van leven niet ook een drukkende last kan worden, een knellend keurslijf? Kunnen deze strikte omgangsvormen – zowel de strenge regelingen voor het leven in gemeenschap van goederen (schulden kwijtschelden, bezit teruggeven, tienden afstaan) als ook deze strikte tijdsordening (op vaste tijden het werk onderbreken, dagelijks, wekelijks en in de loop van het jaar) – geen belemmering vormen voor de spontaniteit van de liefde tot God? Zijn wij juist als Christenen niet bevrijd van al deze vaste regels en bindingen en is het gevaar niet levensgroot, dat we hierdoor weer onder het ‘juk’ van de wet komen, dat we ‘wettisch’ worden? ‘Wettisch’ in deze zin, dat het volbrengen van al deze ‘verplichtingen’ een verdienstelijk karakter gaat krijgen: we geven de tienden om God gunstig te stemmen, we nemen de getijden in acht van Pesach en Shabhu‘oth om iets goed te maken bij Hem, we bouwen een loofhut omdat Hij daar zo op gesteld is en mogelijk kan dat alles meewegen in het eindoordeel over ons leven.
In feite kunnen alle omgangsvormen vervormelijken. In de omgang tussen man en vrouw kunnen de ‘speciale settingen’ (de maaltijd, het geslachtelijk verkeer, de vakantietrip) leeglopen van de liefde en verzanden in allerlei egoïstische bijbedoelingen. Soortgelijk kunnen ook in de samenleving met Israëls God de omgangsvormen leeglopen en stuklopen in wetticisme of in andere vormen van religieuze manipulatie. ‘Omgangs’-vormen op zich, zonder dat daarin de wederkerige liefde ‘omgaat’ zijn van weinig of geen waarde, kunnen zelfs als negatief ervaren worden. Zoals in een huwelijk de vrouw aan haar man kan vragen: ‘wat heb ik aan al dat ogenschijnlijk charmante, vormelijk gedoe van jou, als ik je niet vertrouwen kan, als jouw liefde niet echt is? ‘Ik haat, Ik veracht uw feesten en kan uw samenkomsten niet luchten’, zegt God tegen het ontrouwe, onoprechte Israël, ‘Doe van Mij weg het getier van uw liederen, het getokkel van uw harpen wil ik niet horen’ (Amos 5:21,23).
Geliefden zien uit naar de volgende ontmoeting (getijde)
Alles bepalend voor onze omgang met de HERE God en dus ook voor onze omgangsvormen met Hem is, of er sprake is van een liefdesrelatie. Fundamenteel is de vraag: wie ben ik? Een mens op de vlucht voor God de Schepper? Een ontrouwe bondgenoot? Of Zijn bruid, Zijn geliefde? Heb ik de warme, onzelfzuchtige Liefde ervaren van Hem, Die Zich volledig met ons vereenzelvigd heeft, Zich in ons verplaatst heeft tot in onze schuld en dood toe? En heb ik mijn hart opengesteld voor Zijn Heilige Geest, zodat Hij voortdurend in mij wekt die unieke, spontane wederliefde?
In een levende liefdesrelatie kan er onmogelijk sprake zijn van een gevoel van verplichting: de Shabbat en de feesten zijn voor het bruidsvolk nooit een ‘must’. Zoals twee geliefden uitzien naar de volgende ontmoeting, zo ziet het bruidsvolk uit naar het volgende feest, naar de ‘verdichtingstijd’ de ‘speciale setting’, waarin Hij Zich opnieuw wil laten ontmoeten. Was het maar alle dagen zo’n feest!!*
* Voorlopig is dat nog toekomst, want pas als Hij verschijnt in heerlijkheid zullen we ‘altijd bij de HERE zijn’ (1 Thessalonicenzen 4:17). Maar in zekere zin mogen wij hierop toch ook al vooruitlopen. Met name door de dagelijkse gebedstijden in de morgen en de avond (de christelijke geloofstraditie kent zelfs zeven getijden) wordt de hele dag geheiligd en begint in principe al het feest van ‘alle dagen bij de Heer’!
In het Joodse leven beleeft men het eigen huis als een verlengstuk van de tempel. Niet de diensten in synagoge, maar de vieringen aan de huistafel gelden als plaatsvervangers van de vieringen rond het altaar in het Huis van God in Jeruzalem. Aan de Joodse huistafel doen vader en moeder dienst als priesters: het bereiden van de maaltijden, het aankleden van de tafel, het aansteken van de shabbatskaarsen; de dagelijkse dankzegging over het brood en in het weekend over de wijn is een voluit priesterlijke taak. Dat het Joodse volk 2000 jaar lang in onze Westerse Christelijk en seculiere cultuur, in verdrukking en vervolging, zijn identiteit heeft kunnen bewaren, dankt het vooral aan de huistafelliturgie. Het samenzijn rond de huistafel in vieringen, gebed en lofzang, maar ook in studie en gesprek, heeft, meer nog dan het samenzijn in de synagogen en leerhuizen, de basis gelegd voor het voortbestaan van het Joodse volk. Willen we als gemeenten uit de volken overleven in onze moderne, geestelijk verstikkende cultuur, dan zullen we in het spoor van de Joodse huistempel-cultuur, onze huisliturgie radicaal moeten vernieuwen en verzelfstandigen, waarbij ouders erkend worden in én toegerust worden voor hun priesterlijk ambt. Niet in het samenzijn rond de salontafel of aan het televisietoestel, ook niet in de zondagse kerkdiensten of in de doordeweekse leerhuizen, hoe onmisbaar ook, maar in het samenzijn rond de huistafel in viering en studie ligt de toekomst voor het Godsvolk uit de volken.
Niet alleen de huistafel als liturgisch centrum, maar ook wát op tafel komt is kenmerkend voor het Joodse leven. Wij gelovigen uit de heidenen zijn geneigd te eten wat lekker is of wat er lekker uitziet. Waarom ook niet? Het is toch geschapen en alles wat God schiep is immers goed? Wij zijn nog steeds kinderen van moeder Eva, die ‘zag dat de boom goed was om van te eten en dat hij een lust was voor de ogen’ (Genesis 3:1). En dus ook een lust voor de tong, en waarom zou dat niet goed zijn? Maar de hoofdregel voor al het geschapene is: ‘alles min één.’ Alle bomen in de Hof van Eden staan de mens ter beschikking, behalve één. Alle dagen zijn voor ons bruikbaar als werkdagen, behalve één, de Shabbatdag. Alle opbrengsten van de aarde, en alle inkomsten van ons werk zijn voor ons, behalve één: de eerstelingen en de één-tienden. En al het eetbare is eetbaar, behalve… en dan volgt er een hele opsomming (Leviticus 11). In het orthodoxe Jodendom houdt men zich strikt aan deze voorschriften. Men is zeer zorgvuldig in het kiezen van het eetbare voedsel: ‘men eet niet alles wat de pot schaft’. Men is op dit punt zelfs supergevoelig, men eet ook niet alles op dezelfde tijd! Men gebruikt geen melk en vleesspijzen gelijktijdig, iets wat niet uitdrukkelijk in de Torah staat, maar wel als zinvol wordt ervaren. Hoe ver deze leefstijl soms ook van ons afstaat, het is goed, heel goed om ook op dit punt te willen leren van de Joden. Het gemis aan eetdiscipline is immers een oorzaak van veel ellende in onze moderne samenleving.