Toekomstmuziek of voorgoed voorbij?
Er is een ooggetuigeverslag van de Romeinse magistraat Marcus Annius waarin hij beschrijft hoe het destijds (= in de dagen van Jezus) toeging tijdens het Paasfeest in Jeruzalem: ‘Wanneer de 10e dag van de maand Nisan (= Abhíbh) aangebroken was, trokken alle bewoners van Jeruzalem er op uit om het pesachlam te kopen**.
Op de 14e van deze maand beklommen drie priesters een bepaalde hoge toren die in de tempel was opgezet, met zilveren trompetten in hun hand. Na het blazen op deze trompetten riepen zij luid: ‘Hoor, volk van Adonaj, de tijd van de offerande van het paaslam, ter ere van Hem, Wiens Naam in dit heilige gebouw gevestigd is, nadert!’
Onmiddellijk na deze oproep haastte het volk zich om hun feestkleren aan te doen, want al vanaf het 6e uur (= 12 uur) beschouwden de Joden het feest als begonnen. Voor de hoofdingang van de Voorhof stelden zich nu 12 Levieten op elk met een zilveren staf, terwijl binnen de Voorhof eveneens 12 Levieten stonden opgesteld met elk een goud staf (om de massale toeloop van de offeraars in goede banen te leiden).
Op de plaats waar de Pesachlammeren geslacht, werden stonden priesters in rijen geschaard, met gouden en zilveren sprengbekkens om het bloed van de offerdieren op te vangen en dit in een heel snel tempo elkaar toe te reiken tot aan het brandofferaltaar (waar het gesprengd werd). Bij deze dienst droegen alle priesters een rood kleed, zodat de op hun kleren vallende bloeddruppels niet op te merken waren; dit kleed reikte tot aan de dijen, de mouwen waren zeer kort, tot net over de schouders; ze droegen geen sandalen, barrevoets stonden de priesters daar met als hoofddeksel slechts een klein soort keppeltje.
Tijdens het slachten (waarbij grote groepen lammeren tegelijk betrokken waren) werd door een priesterkoor het Hallel-danklied met luide stem gezongen. Op twee verhogingen, in de buurt van de slachtplaats, stonden twee priesters met zilveren trompetten die telkens het sein aangaven tot deze lofzang.
Na het slachten gingen de offeraars naar de voorhoven waar krammen in de muren waren aangebracht om daaraan het offerdier te bevestigen (en om het daar braadgereed te maken). Nadat men het voorgeschreven deel had afgestaan voor de priesterdienst, verwijderde men zich met grote vreugde en vol enthousiasme uit de Tempel.
Thuis (of in het pelgrimsverblijf) werd buiten de voordeur in de open lucht het offerlam gebraden. Daarna werd de maaltijd genuttigd onder vrolijk feestgedruis en met bijzonder sterke lofzangen die duizendvoudig weergalmden en op verre afstand buiten Jeruzalem te horen waren.