De Bijbel ligt al eeuwenlang onder vuur en onder de loep. Zo kennen wij ook de historisch-kritische Bijbelwetenschap. Maar kijk uit, deze wetenschap is geen theologie maar taal-archeologie. Net als andere takken van de historische wetenschap kan ook deze archeologie veel interessante gegevens opleveren, maar ze voegen niets wezenlijks toe aan de kennis van de Bijbel.
Zoals de historische kennis over de gebruikte verf of bijvoorbeeld verfkwasten geen enkele bijdrage levert aan het begrijpen van een schilderij, zo kan ook de historisch-kritische Bijbelkennis niets, geen kruimel, bijdragen aan het begrijpen van de Bijbelse Boodschap.
De Bijbel legt zichzelf uit volgens de oerregel van ‘schrift met schrift’ vergelijken. Van de Bijbel geldt wat van ieder echt literair kunstwerk geldt: kennis van de letterkundige geschiedenis en biografische bijzonderheden hebben met letterkunde slechts zijdelings te maken en zijn in veel gevallen voor de beleving van het kunstwerk irrelevant.
In elke wetenschap wordt gewerkt met modellen of werkhypothesen die dienen als uitgangspunt voor nader onderzoek. Buitenstaanders verwarren wetenschappelijke modellen, wat in feite geloofsuitspraken zijn, veronderstellingen, dikwijls met feiten!
Veel wetenschappers werken dit misverstand in de hand door rotsvast te geloven in hun eigen denkmodel dat ze de indruk wekken alsof het al om een werkelijkheid gaat: alsof de evolutietheorie al een feitelijke basis heeft, alsof de oerknal al bewezen is, alsof het mystieke oerdeeltje al gevonden is. Prof. dr. ir A. van den Beukel noemde dit ‘wetenschappelijke treurigheid’.
Deze treurigheid treft men ook aan onder theologen die op de kansel staan. Uiteraard staat het ieder vrij om te geloven in de theorie van de priester-verteller in Babel die tijdens de Hebreeuwse ballingschap ter bemoediging van de ballingen vrome verhalen verzonnen zou hebben over hun voorgeschiedenis of te geloven in de theorie van de vrome voorgangers in de christengemeentes uit de 2e eeuw die al prekend het oerverhaal over Jehoshua/Jezus in eigen kleuren (hellenistisch-Grieks en mythologisch) zouden hebben overgeschilderd en onherkenbaar verminkt.
Maar… men moet ons niet wijsmaken dat hiervoor wetenschappelijke bewijzen bestaan. Dit is ‘science fiction,’ het zijn geloofsuitspraken die met geloofsuitspraken op basis van de Bijbel overtuigend en ‘onbetwijfelbaar’ bestreden kunnen worden. Immers zoals men onwetenschappelijke stellingen met gefundeerde wetenschap bestrijdt, zo horen wij vluchtige of slordige theologische uitspraken te bestrijden met op de Bijbel gebaseerde theologische kritiek. Basisuitgangspunt daarbij is dat de Bijbel een Hebreeuws Boek is en dat kennis van het Hebreeuws onmisbaar is om de volledige betekenis te onthullen. Ruim vierhonderd jaar geleden begon er in Europa een mondigheidsbeweging: toen werd de Bijbel naar het volk gebracht, in de volkstaal en nu zien we meer en meer dat het volk naar de Bijbeltaal, het Hebreeuws wordt gebracht. Vier eeuwen geleden werden kerkelijke tussenpersonen onttroond, de priesters waren niet langer noodzakelijke bemiddelaars tussen Adonai/God en mens. In onze tijd worden wetenschappelijke tussenpersonen van hun voetstuk gehaald: zij hoeven de goegemeente niet langer uit te leggen wat er ‘eigenlijk’ of ‘precies’ in de grondtekst staat. Ieder die wil kan het nu zelf opzoeken en zelf een concordantie hanteren om het betreffende woord in zijn oorspronkelijke kleurenrijkdom te leren kennen. Hebreeuwse woorden zijn als kleine edelsteentjes die aan alle kanten schitteren en de meerdere betekenissen van woorden versterken de inhoud des te meer.
Zijn onze vertalingen dan niet goed genoeg? Er is een gezegde: ‘Wie de Hebreeuwse Bijbel in een vertaling leest is als degene die zijn moeder kust door een zakdoek heen, of zijn bruidje door de sluier.’ Niets gaat boven de originele grondtekst die dankzij de Hebreeuwse beweging in principe nu voor ieder toegankelijk is. Laat ons mondig worden en mondig zijn!
(zie ook Hebreeuws in Zes Dagen, Bijbels denken vanuit de Hebreeuwse Taal)