Een utopisch, onrealistisch, optimistisch, lachwekkend visioen over een oud en ontspoord Bijbelland?
Het vrijgevochten Nederland was ooit een Bijbelland: ontstaan uit de strijd om in alle vrijheid de Bijbel te mogen lezen en als richtsnoer te hanteren voor heel het leven en samenleven. Het was een land waar ooit de Staten-Generaal opdracht gaf tot de vertaling van de Bijbel, de Statenbijbel. Een land waar niet alleen de leden van de Staten-Generaal, maar ook de plaatselijke en regionale regenten konden worden aangesproken op de Tien Woorden. Een land, gestempeld door de liturgie rond de huistafel: “nooit in de historie was de huiselijke sfeer zozeer verinnigd en geheiligd en (werd) het Woord van God zo priesterlijk door den huisvader bediend, (hebben) de psalmen zo sacraal binnen de muren van iedere woning geklonken en hun echo’s gehad in de diepste schuilhoeken van ieders hart, als juist toen” (dr. O. Noordmans, Liturgie, pag. 121).
Wij geloven dat dit vrijgevochten land met zijn sinds lang ontspoorde en verstoorde volkssamenleving opnieuw en meer dan ooit een Godsland kan worden in het spoor ván en in onopgeefbare verbondenheid mét het Joodse volk in Israël, Gods Eersteling.
Wij geloven dat het een land kan worden waar in alle gezinnen de huisliturgie opnieuw gestalte krijgt, waar de ouders priesters zijn aan de huistafel waar zij danken voor het dagelijks brood, de Schriften lezen en voorbeden doen en waar zij in het weekend dankzegging doen over de wijn om de Shabbat te heiligen zoals in Israël.
Wij geloven dat het een land kan worden, waar het Bijbelonderwijs op alle scholen een examenvak is, zoals in Israël. Bijbelonderwijs niet via vrome, subjectief getinte verhalen, maar in de vorm van nauwkeurige tekstverklaring vanuit de grondtekst, de Hebreeuwse voorop.
Wij geloven dat het een volk kan worden waar behalve de Shabbat vooral ook de Bijbelse feesten in vóór- en najaar in acht genomen worden, waar deze gedachtenisfeesten de tijdsordening bepalen voor de hele samenleving, vanaf het onderwijs op de scholen tot aan het parlement, en waar deze als volksgemeenschap uitbundig worden gevierd, zoals in Israël.
Wij geloven dat het een land kan worden waar in de stedelijke concertzalen en in de dorpsmuziekcentra plaats is voor het dagelijkse morgen- en avondgebed, in de stijl van de Anglicaanse, muzikaal hooggestemde morning- en eveningsongs.
Wij geloven dat het een land kan worden waar door journalisten en artiesten in de media en in de theaters de Bijbelse boodschap zo wordt vertolkt of gedramatiseerd dat alle bevolkingsgroepen, jong en oud, er door worden aangesproken.
Wij geloven dat het een land kan worden, waar de disco’s met hun lege, soms immorele, godloze of mystieke teksten en hun oerheidense rimboemuziek leeglopen of juist volstromen met Hallelujah muziek, met Hebreeuwse en Evangelical songs.
Wij geloven dat het een land kan worden met grote liefde voor Gods goede aarde, waar hand- en landwerk weer prioriteit hebben boven massale, industriële productie. Aan elk volk is een land beloofd waar ieder in vrijheid (‘geen loonslaaf meer’) mag zitten onder zijn eigen wijnstok en vijgenboom, op een schone aarde in een schone atmosfeer.
Immers het Beloofde Land is zo klein als Kanaän, maar tegelijk zo wijd als de wereld, met de Godsstad, Jeruzalem, in het centrum, waar Israëls God troont op de lofzang van alle volken, in ‘bezield verband’.
Is dit een utopisch onrealistisch, optimistisch, lachwekkend visioen? Waarom?