In de eerste 5 Boeken van de Bijbel hebben de maanden geen namen maar nummers, behalve de eerste maand. De eerste maand heet Abhibh (uitspraak Aviv), dat betekent korenaar en dat woord komen wij voor het eerst tegen in Ex. 9:31. In de Abhibhmaand (maart/april) begint het graan te rijpen en in deze korenmaand herinnert Israël jaarlijks de grote Uittocht uit de slavernij (Ex 13:4). De Bevrijding herinneren (Jeshuah, ישועה in het Hebreeuws) is zo belangrijk dat God Zelf aangaf dat Abhibh de eerste maand moest worden (Ex. 12:2). De rest van de maanden hebben oorspronkelijk nummers. Zo is de maand Abh de vijfde maand. Het ‘tellen’ is te vergelijken met de dagen van de week: God benoemde de dagen met een getal maar de laatste dag kreeg een naam: de staak-/zit-/rustdag, de shabat. שבת Na de Babylonische ballingschap komen wij in de Tenach (Hebr. OT), ook namen tegen van maanden (de profeet Ezechiël doet er niet aan mee, zie bv Ezech. 31:1). Heel opmerkelijk eigenlijk want sommige namen komen heidens over zoals de maand Tammuz (vierde maand) die sterk doet denken aan de afgod Tammuz, die men beweende. Abhibh is vervangen door Nissan.
De dagen van de week zijn in Israël nog altijd rangtelwoorden en hebben niet de heidense associatie zoals wij die kennen met de godennamen of hemelgoden van de Christelijke weekdagen. De Christelijke kalender heeft nog wel een aantal maanden met een getalsnaam (september = 7 t/m december = 10). Weliswaar Latijnse namen maar toch…