Een drieluik
Opvoeden: inwijding in het leven
Het Hebreeuwse woord voor opvoeding is Chínúkh , חנוך maar betekent letterlijk inwijding of heiliging. Meteen valt op dat de stamletters van dit woord overeenkomen met de woordstam van het woord Chanúkah .חנוכה Het Chanukah-feest, vernieuwingsfeest, is de jaarlijkse herinnering aan de bevrijding van het Joodse volk, ruim 2000 jaar geleden, uit de greep van een door de Griekse geest beheerste tiran Antiochus Epifanes. Daarnaast is het een herinnering aan de (her)inwijding van de tempel. Deze tempelinwijding draaide niet alleen om de fysieke inwijding van de tempel, maar ook om het herstel van de Bijbelse levensstijl in Jeruzalem en Ommeland. De Bijbel noemt het menselijk lichaam een tempel, waarin Gods Geest wil inwonen (1 Corinthiërs 3:16-17, 2 Corinthiërs 6:16). Opvoeding betekent dus een inwijding, een Chanúkahחנוכה , van het leven, oftewel een levensheiliging, het ‘gereedmaken’ voor Gods inwoning. De vraag is hoe dit in zijn werk gaat als levensheiliging een continu proces is, terwijl een ‘opvoeding’ ophoudt als een kind het ouderlijk huis verlaat. Het antwoord ligt in het andere aspect van het woord Chínúkh חנוך dat naast opvoeding ook onderwijs betekent1. Een inwijding in een mensenleven is geen eenmalige zaak, maar een voortdurend proces. Ouders hebben dus de taak hun kinderen te voorzien in levensonderwijs, het leren van de Bijbelse levensstijl (hoewel de manier waarop gedurende het leven zal veranderen). Ieder mens heeft continu levensles, tot aan het eind van ons leven kunnen we van onze ouders leren. We zullen hieronder verder op een aantal aspecten van dit ouderlijk onderwijs ingaan belicht vanuit de Hebreeuwse taal.
1 – Ook in het modern Hebreeuws (ivrit) betekent Chínúkh zowel opvoeding als onderwijs. Ons onderwijssysteem zou eigenlijk onderdeel moeten zijn van een geestelijke opvoeding: Chínúkh jeŝódí = lager onderwijs, letterlijk opvoeding die de grondslag legt en Chínúkh thíkhón = middelbaar onderwijs.
Intermezzo: Het aanleren van een Bijbelse levensstijl op de tocht?
Vergeleken met enkele jaren terug zien we naast een sociale secularisatie van onze maatschappij, ook een politieke secularisatie. Dat deze liberale verschuiving invloed heeft op maatschappelijke zaken zoals burgerlijk huwelijk, rustdagen en onderwijs op middelbare scholen is te verwachten. Toch zijn er signalen dat ook deze ‘Griekse’ geest zijn intrede wil doen binnen het gezin. Het liberalisme is ontstaan vanuit de verlichting en vindt zijn oorsprong met name tijdens de Franse revolutie. Het woord liberaal is daarom ook afgeleid van het Franse ‘Liberté’, vrijheid en draait als zodanig om de individuele vrijheid en verantwoordelijkheid. Het huidige liberalisme streeft naar een moderne overheid die voldoende vrijheid biedt, stimuleert en handhaaft. Wellicht kan dit gezien worden als een directe reactie destijds op het communisme, waarbij de overheid ‘alle touwtjes in handen heeft’. Het gevaar echter van een dergelijke politieke stellingname is de visie dat een samenleving enkel uit individuen bestaat en dat structurele en sociale identiteitsbepalende factoren geen rol spelen. Deze visie heeft ook zijn invloed op de samenleving. Daar waar kerken en hun voorgangers vroeger een sterke cohesie vormden binnen de samenleving zien we tegenwoordig een verbrokkeling hiervan. Hoewel het liberalisme de vrijheid van godsdienst en onderwijs nastreeft, is er de laatste jaren zelfs sprake van een radicaal-liberale zijde binnen deze beweging. Deze politieke stroming pleit voor een dusdanige individuele godsdienstvrijheid, dat zelfs een godsdienstige opvoeding door ouders reeds als aantasting van de persoonlijke vrijheid wordt beschouwd. Een dergelijke opvoeding ziet men als een beperking in de keuze van het opgroeiende kind en in plaats daarvan ziet men liever het ‘neutrale’ atheïsme als uitgangspositie. De grondlegger van dit geforceerde ‘vrijheids’denken is Spinoza, die ondanks zijn kundigheid in de Hebreeuwse grondtaal zich hier volledig tegen keerde. In zijn Theologisch-Politiek Traktaat betoogt Spinoza een volledige vrijheid van godsdienst in de samenleving. Deze filosofische revolutie leidde uiteindelijk niet alleen tot godsdienstvrijheid maar ook tot een godsdienst‘bevrijding’ in de samenleving. De misstap die gemaakt wordt, is de gedachte dat dit a-theïstisch gedachtegoed als norm in de samenleving zou gelden. Prof. dr. H.M. van Praag, emeritus hoogleraar psychiatrie, stelt terecht dat het juist dit evangeliserend atheïsme (of beter: antitheïsme) is, dat sterk afwijkt van de norm. Hoewel tegenwoordig onze maatschappij, media en openbare instanties geen of weinig affiniteit tonen met het Bijbels Hebreeuws denken, is die vrijheid er gelukkig nog aan onze huistafel!
Luik één:
Ouders zijn voorgangers
Het kind dat opgroeit heeft zijn ouders als voorgangers, voortrekkers. De ouders zijn ten opzichte van kinderen de eersteling, de Aleph. Zij zijn degenen die in eerste instantie hun kinderen moeten voorleven, voorgaan in het dagelijks leven. Met de aleph, de eersteling, werd in Bijbelse tijd de aanvoerder van de kudde aangeduid. Het woord eersteling, aleph komt van het werkwoord álaph אלףdat leren betekent. Als men een jong rund wilde leren ploegen plaatste men het in hetzelfde juk naast de aleph, de eersteling1). Na een bepaalde periode kon het jonge rund op zijn beurt weer een eersteling zijn voor andere dieren. Op het moment dat een kind in het ouderlijk huis wordt geboren wordt het feitelijk naast de ouders, de eerstelingen, geplaatst om het leven te leren. Vanaf het prille begin zijn ouders het voorbeeld in alles. In de kindertijd nemen kinderen letterlijk alles van hun ouders over: de manier van praten, basishandelingen zoals eten en drinken2) enzovoort. Maar ook op latere leeftijd kunnen kinderen positieve gewoontes overnemen zoals interesses, hobby’s, maar ook sociale omgang met anderen. Daarbij is het belangrijk om je te realiseren dat een eersteling ook een negatief voorbeeld kan zijn3): In de jaren zestig richten veel psychologische studies zich op dit ‘observationeel’ leren, zoals het Bandura-experiment waarbij kleuters, na het vertonen van een video met een ouder die agressief gedrag vertoonde, dit agressieve gedrag gingen imiteren. Hetzelfde geldt voor verslavingen, mishandeling, omgaan met woede of depressies en de omgang van ouders met elkaar. Het opgroeiende kind beschouwt de thuissituatie als normaal en zal het gedrag van zijn voorgangers nadoen. Ouders zijn, als eerstelingen, verantwoordelijk voor het vóórleven van de Torah, Gods richtlijn voor hun kinderen, zodat zij op hun beurt weer de plaats in kunnen nemen als eersteling.
1 – Belangrijk om op te merken is het feit dat de runderen in het juk beiden dezelfde positie innemen. Ondanks dat de eerstelingen eerder waren, ze zijn de oudsten, nemen zij eenzelfde positie in. Ze zijn niet gelijk, maar wel gelijkwaardig. Zo moeten ouders zich realiseren dat hun kinderen uiteindelijk dezelfde positie zullen innemen als zijzelf. Een oudere, maar zeker geen verouderde theorie uit de psychotherapie is de transactionele analyse die stelt dat men in het leven de verandering doormaakt van kind naar volwassene en dat daar ook de directe omgeving adequaat op moet reageren. Zoals het jonge rund in eerste instantie nog moet leren van de oudere, maar later zelf ook als eersteling zal fungeren. In de Joodse traditie is hier een duidelijk afkappunt waarbij op dertienjarige leeftijd een jongen zijn bar mitswah heeft. Vanaf dat moment wordt hij als volwassen beschouwd met alle rechten en plichten die daarbij horen.
2 – Opvallend is dat met name in de eerste levensjaren het horen van spraak cruciaal is voor de taalontwikkeling. Als een kind tijdens die fase bepaalde klanken niet hoort, of zelfs helemaal geen grammaticale spraak hoort, ontstaat er een blijvend spraakprobleem. Een kind moet dus ‘mondig’ worden gemaakt.
3 – Dit is een probleem voor ouders die geen goed voorbeeld hebben gehad. Hoe moet dat met kinderen die geen liefdevolle opvoeding kregen, geen of juist negatieve aandacht kregen? Zullen zij hun kinderen op dezelfde manier behandelen? Hoewel in theorie dit misschien het meest waarschijnlijke is, laat de praktijk zien dat ouders die een bewuste keuze hierin maken toch kunnen afwijken van dit ‘ge-effende’ pad. De Bijbel laat zien dat ouders een aleph, eersteling zijn, maar het ‘ouderlijk’ voorbeeld moet altijd Dé Aleph zijn, God is Dé Eersteling. Hij gaat vóór, ook bij ouders die geen vóórbeeld hadden.
Luik twee:
Ouders als leraren
Als vóórgangers, vóórtrekkers, hebben ouders niet alleen een vóórbeeldfunctie, maar spelen zij ook een actieve rol. Opvoeden betekent dus voeden met Gods richtlijnen. Deze geestelijke (op)voeding komt met name in het boek Spreuken naar voren. Zo wordt volgens Joodse traditie elke vrijdagavond het loflied op de vrouw voorgelezen met de zin: ’vriendelijke onderwijzing, Torah cheŝed, ligt op haar tong’ (Spreuken 31:26). Het woord Torah wordt op verschillende Bijbelplaatsen doorgaans vertaald met Wet, maar een betere vertaling zou zijn onderwijzing, richtlijn. Het woord is afgeleid van het werkwoord Járáh, ירה dat drie betekenissen heeft. De basisbetekenis is werpen, een steen opwerpen (Genesis 31:51), een pijl op de boog werpen, schieten (Exodus 19:13, Psalm 11:2). Maar het kan ook betekenen: ‘water werpen’, beregenen. De derde betekenis waarmee het woord Torah direct in verband staat is: de vinger in een bepaalde richting werpen, aanwijzen, aanwijzingen geven, onderwijzen. Toch is het woord Torah ook medegekleurd door de tweede betekenis: een leraar ‘beregent’ zijn leerlingen, giet water over deze plantjes. Hij doet dat ook met mate, niet te veel ineens: de Torah in zich opnemen kan nooit in een keer. Zo kunnen ouders in gezinsverband1 een leven lang een onderwijzende rol spelen in het leven van hun kinderen met als doel het mondig worden van hun kinderen en hen als stabiele evenwichtige mensen in het leven te laten staan.
1 – Op samenlevingsniveau toont de kerkgeschiedenis helaas dat de onderwijzende rol van de kerk vaak te wensen overlaat. In de periode tot vóór de reformatie werden gelovigen beschouwd als leek en werden erediensten gehouden in een ontoegankelijk Latijn. Hoewel de reformatie hier enige verandering teweeggebracht heeft, zien we tegenwoordig in veel samenkomsten een toename van ‘Evangelie’prediking die getuigt van een ‘Griekse’ eenzijdigheid, waarbij elke vorm van onderwijzing ontbreekt. De verantwoordelijkheid van het mondig maken van kinderen ligt op dit moment nog steeds aan de huistafel.
Luik drie:
Inprenten, het belang van dagelijks onderwijs
In orthodox Joodse gezinnen bestaat de opvoeding uit het al zo vroeg mogelijk aanleren van het spreken, lezen en schrijven van de Hebreeuwse taal, al vanaf of voor het vierde levensjaar. De basis van dergelijke opvoeding in de Bijbel vinden we terug in Deuteronomium 6: ‘…gij zult het uw kinderen inprenten (Shánan, שנן) en daarover spreken…’ In deze tekst komen twee belangrijke aspecten naar voren. Het Hebreeuwse woord dat vertaald wordt als ‘inprenten’ is het werkwoord שנן. Dit werkwoord wordt gebruikt om het slijpen van een steen of een zwaard aan te geven. Er zitten hier meerdere aspecten aan: ten eerste is slijpen een herhalende beweging, de herhaling staat voorop. Dit komt naar voren in het dagelijks leven rondom de huistafel: het dagelijks gebed, Bijbellezen, de zegen over brood en wijn, het zingen. Dit repeterende aspect wordt nog eens bevestigd door de toevoeging: ‘wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat.’ Daarnaast maakt het slijpen een voorwerp scherper zoals ruwe diamant of edelsteen. Als een kind ter wereld komt is het als het ware nog een ruwe edelsteen die gedurende het leven wordt bijgeschaafd door anderen, maar met name door de ouders. Veel pubers gaan dit ‘slijpen’ uit de weg en ouders gaan hierin mee, maar het dagelijks voorleven blijft belangrijk. Het in gesprek blijven over een Bijbelse levensstijl moet onderdeel van het dagelijks leven blijven. Niet om het gelijk te behalen, maar om te blijven scherpen. Het leren van een Bijbelse levensstijl moet een levenshouding zijn.
Tot slot
In de Hebreeuwse traditie zijn er vijf manieren van onderwijs. Omdat opvoeding en onderwijs synoniem aan elkaar zijn gaan deze vijf manieren of werkwoorden zowel op voor ouders als voor leraren. De eerste drie zijn reeds behandeld: Het werkwoord Álaph אלף, waarbij de ouder, de eersteling, een dagelijks voorbeeld is, het kind leert door middel van associëren. Het tweede werkwoord is Járahירה , onderwijs geven, de ouder geeft de richting aan en voorziet gedoseerd van informatie: dirigeren maar ook ‘irrigeren’. Als laatste het werkwoord Shánan שנן, het herhalen van een dagelijkse Bijbelse levensstijl, maar ook scherp maken, het in gesprek gaan. Tenslotte zijn nog twee werkwoorden die vertaald worden met leren: Lámad למד, dat het beste vertaald kan worden met instrueren of gidsen. Het werkwoord begint opvallend met de letter Lámed, dat de herdersstok symboliseert, waarmee de herder zijn schapen over de juiste paden leidt. De herdersstok geeft op het juiste moment een duwtje in de goede richting of vormt een blokkade bij een verkeerde afslag. Zo kunnen ouders hun kinderen begeleiden in hun jeugd. Een herder laat zijn schapen in rust en vrijheid grazen, maar begeleidt ze op de cruciale momenten. In de Bijbel wordt God genoemd als Dé Herder, zoals in het bekende vers: ‘Leid mij in uw waarheid en leer mij, want Gij zijt de God mijn heils’ (Psalm 25:5). De laatste manier is het werkwoord Jáŝar ישר dat het best vertaald kan worden met disciplineren, corrigeren. Letterlijk betekent Jáŝar ישר ‘een andere richting opdraaien’ (zie Jeremia 31:18), oftewel iemand die een verkeerde kant opgaat, corrigeren in zijn route. We zien op diverse Bijbelplaatsen de meerdere aspecten van dit werkwoord, waar dit vertaald wordt met: ‘terechtwijzen’, ‘straffen’ en zelfs ‘kastijden’. Het is opvallend dat waar het werkwoord Jáŝar ישר in de context van opvoeden gebruikt wordt, dit altijd gebeurt met ‘corrigerende’ woorden, dêbharím (Spreuken 29:17-19, Spreuken 31:1, Deuteronomium 21:18).