Leerdicht van David toen hij in de grot was, een gebed
במערה תפלה משכיל לדוד בהיותו
Maskil leDavid bihjoto bam‘arah tephilah.
Vers 2
קולי אל יהוה אזעק קולי אל יהוה אתחנן
qoli el JHWH ez‘aq qoli el JHWH etchanan.
Mijn stem is tot God, ik roep luid, mijn stem is tot God, ik smeek om genade.
Vers 3
אשפוך לפניו שיחי צרתי לפניו אגיד
eshpokh lephanav sichi tsarati lephanav agid.
Ik zal uitgieten aan Zijn aangezicht mijn zorg, mijn benauwdheid zal ik aan Zijn aangezicht vertellen.
Vers 4
בהתעטף עלי רוחי ואתה ידעת נתיבתי בארח זו אהלך טמנו פח לי
behit‘ateph alai ruchi we’atah jada‘ta netibhati b’orach zu ahalekh tamnu phach li.
Mijn geest in mij versmacht, maar U heeft mijn paden gekend. Zij hebben een klapnet voor mij verborgen.
Vers 5
וראה ואין-לי מכיר אבד מנוס ממני אין דורש לנפשי הביט ימין
habeit jamin ur’eh ve’ein-li makir abhad manos mimeni ein doresh lenaphshi
Ik zag uit naar rechts en zie: ik ben door niemand gekend, verloren is mijn toevlucht, geen die vraagt naar mijn ziel.
Vers 6
זעקתי אליך יהוה אמרתי אתה מחסי חלקי בארץ החיים
za‘aqti eleikha JHWH amarti atah machsi chelqi be’arets hachaim
Ik riep tot U, Aanwezige, U bent mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden.
Vers 7
הקשיבה אל-רנתי כי-דלותי מאד הצילני מרודפי כי אמצו ממני
haqshibha el-rinati ki-daloti me’od hatsileni merodphai ki amtsu mimeni
Sla acht op mijn geroep want ik ben zwak, red mij want mijn vervolgers zijn sterker dan ik.
Vers 8
הוציאה ממסגר נפשי להודות את-שמך בי יכתרו צדיקים כי תגמל עלי
hotsiah mimasger naphshi lehodot et-shmekha bi jakhtiru tsadiqim ki tigmol alai.
Leid mij uit de kerker, mijn ziel brengt dank aan Uw Naam. Rechtvaardigen omringen mij want U doet mij wel.
Het eerste woord in de aanhef van de Psalm is het woord משכיל maskil (Mem, Sin, Kaph, Jod Lamed). Maskil betekent leerdicht, maar ook: kundig, bedreven. Dat David kundig en bedreven is in het schrijven van Psalmen staat als een paal boven water. Dat hij een bijzonder grootse profeet is, dat is misschien wat minder bekend. Pas bij serieuze bestudering van zijn Psalmen zien we hoe hij telkens weer ‘Messiaans spreekt.’ Het lijden van de Messias brengt David door zijn eigen lijden heen als geen ander in beeld, maar tegelijk ook het lijden van het volk Israël in onze tijd spreekt David keer op keer uit in zijn Psalmen; de plannen, tegen hem gesmeed en de leugens die over hem worden opgedist, die krijgt het volk Israël in onze tijd ook over zich heen (Ps. 2, 58, 83 enz. enz.). Meer nog dan de grote profeet Moshe maakt David de toekomst van het volk Israël aanschouwelijk met zijn gezongen teksten. Ook deze Psalm kunnen we beslist een kundig geschreven leerdicht noemen.
Het woord voor leerdicht, kundig en bedreven, משכיל maskil, stamt van het werkwoord שכל sakal (sin, kaph, lamed), wat betekent: slagen, voorspoed hebben, maar wat ook betekent: kruislings verwisselen, zoals in Genesis 48:14, waar Jacob de zonen van Jozef kruislings de handen oplegt en hen zegent. Is het niet wonderlijk, als we kijken naar dit kruislings verwisselen, dat onze Messias ook kruislings is verwisseld met ons mensen; onze zonden en schuld op Zich heeft genomen, letterlijk aan een kruis en is dat dan ook niet een kundig plan geweest in de heilsgeschiedenis? Gods plan is geslaagd; wij mogen leven hebben omdat Hij Zijn leven heeft afgelegd, kruislings heeft verwisseld met dat van ons en dit faalt nooit om ons diep te ontroeren.
Het woord roepen, schreeuwen, aanroepen in vers 2 is de woordstam za‘aq זעק, wat David hier in de ik-vorm gebruikt: eza‘aq אזעק (Aleph, Zajin, Ajin, Qoph) en zoals bij alle werkwoorden in het Bijbels Hebreeuws kan dit werkwoord gezien worden als: ik riep, ik roep en ik zal roepen. Dat is ook weer een van de dingen die het Hebreeuws zo’n wonderlijk mooie taal maken, vol van verrassende mogelijkheden. Er zijn in feite maar twee tijden te onderscheiden in het Bijbels Hebreeuws: de voltooide tijd is een tijd en de andere tijd is zowel de verleden; tegenwoordige als toekomende tijd. Deze drie worden op dezelfde manier geschreven. Er is een ander woord ook voor roepen, wat ook betekent noemen, hardop lezen en dat is het woord קרא qar’a (Qoph, Resh, Aleph). Dit woord gebruikt God Zelf in Genesis wanneer Hij alles in het leven roept, dit is scheppend roepen, terwijl זעק za‘aq meer te maken heeft met het roepen om hulp.
In vers 3 vinden we het woord shapach שפח, (shin, Peh, Cheth) uitgieten. Wat een dramatische manier van David om zijn zorgen bekend te maken. Het is duidelijk dat het hem heel hoog zit in deze Psalm. Tranen vergieten of tranen storten, daar lijkt dit op en zo zal David zijn zorg en tranen samen vergoten hebben voor het Aangezicht van God. שפח shapach heeft heeft woordverband met שפט (Shin, Peh, Teth) shapat, rechtspreken en dat is precies wat David van zijn God verlangt! ‘Doe mij recht, Aanwezige, want zij houden een strik voor mij verborgen!’
In vers 4 lijken Davids woorden over elkaar heen te vallen: hulpgeroep: ‘Ik versmacht, ben zo zwak!’ Daarbij weer zo typisch Davidiaans: ‘Maar U heeft mijn paden gekend,’ en met die woorden is daar toch weer dat diepe vertrouwen op Zijn Heer, in elke Psalm van hem komt dit zo overweldigend terug; ook hier weer. En dan als derde in dit vers noemt hij het probleem dat hem beloert: het klapnet, de strik pach פח, dat men ergens verborgen heeft om hem te vangen. Drie dingen in die ene zin… Geen wonder dat dit vers niet makkelijk te vertalen is.
Het woord voor kennen dat David hier gebruikt is het wondermooie woord jada ידע, (Jod, Daleth, Ajin) wat betekent kennen, bekennen, intiem kennen. Dit woord is gebruikt in Genesis waar Adam Chava bekent, intiem seksueel contact met haar heeft en hetzelfde woord gebruikt God in Zijn oproep in Hosea 4:6: ‘Mijn volk gaat te gronde door gebrek aan kennis.’ Door gebrek aan intiem contact met God gaan we te gronde. Naar de kerk gaan is echt niet voldoende, God wil ons hele hart! En aan Hem ligt het niet, zoals David het hier uitspreekt: kent God zijn paden! En dit kennen van God heeft ook met Davids hart en houding te maken want het is ook weer zo dat God ons pas van nabij kent als wij nederig en rechtvaardig zijn. In Psalm 138:6 staat dat God de hoogmoedige van verre kent… niet van dichtbij! Als we willen dat God onze paden kent, dan moeten we de hoogmoed afleggen want niets is erger dan dat God ons niet van dichtbij kent, maar slechts van een afstand… David had dat begrepen, dat kunnen we uit zijn handel en wandel opmaken. Ja, hij heeft grote missers gemaakt en ook weleens een scheve schaats gereden, maar hoogmoed hoort er niet bij in zijn leven.
In vers 5 komt een ander woord voor kennen aan de orde, dat is het woord makier מכיר (Mem, Kaph, Jod, Resh). ‘Niemand kent mij,’ roept David uit, ‘niemand weet wie ik ben!’ Gevoelens van diepe eenzaamheid moeten hem hier hebben overvallen, tranen worden vergoten en hoewel hij een aantal mannen bij zich heeft, kan hun aanwezigheid hem niet troosten. ‘Verloren is mijn toevlucht!’ Het werkwoord verliezen is het woord abhad אבד (Aleph, Bheth, Daleth) waarin het woord abh אב (Aleph, Bheth), vader, verstopt zit. Vader kunnen we niet verliezen, de menselijke toevlucht kan verloren zijn: ‘Niemand die mij kent!,’ maar dan in het volgende vers roept hij alweer uit: ‘Mijn Toevlucht, dat bent U!’ Weer dat overweldigende vertrouwen, hij is nog niet uitgered uit zijn benarde situatie, maar dat God zijn toevlucht is, dat staat zo vast als een huis! Sterker nog: God is zijn Huis. Hoe vaak zegt David (18x keer): ‘U bent mijn hoog vertrek (Ps. 59:17; Ps. 18:47; Ps. 9:10 enz. enz.).’ In het woord abhad zit de Aleph א, de letter van God Zelf; de Beth ב, welke betekent huis en de daleth ד, welke betekent deur. Verloren, abhad, אבד is zijn toevlucht in mensen, maar gevonden is God Zelf, Die zijn huis is, Die de deur naar de vrijheid voor hem opent! Lijkt alles verloren? Vader is de grote verborgene in dit woord en Hij maakt alles goed voor David. Zo gaat vers 5 naadloos over in vers 6.
Het woord voor schuilplaats, toevlucht in vers 6 is het woord machseh מחסה (Mem, Cheth, Samekh, Heh). Het werkwoord waarvan dit woord is afgeleid, is het woord chasah חסה (Cheth, Samekh, Heh), wat betekent schuilen, zijn toevlucht nemen. Chasah heeft woordverband met chasan חסן (Cheth, Samekh, Nun), wat betekent sterk; onze God is een sterke Koning. Ook vinden we verband in het woord chasid חסיד (Cheth, Samekh, Jod, Daleth) en dat is zo van toepassing op God Zelf want het betekent liefderijk, mild, getrouw. David is Zijn gunsteling, Zijn vertrouweling, Zijn vrome, Deze laatste drie woorden zijn ook vertaald met chasid. Er is een relatie die van beide kanten sterk en liefdevol is voor de ander. Het ontroert altijd weer in de Psalmen van David dat we dit gegeven zo sterk naar voren zien komen; de relatie die hij met zijn God heeft, is gebaseerd op wederzijdse liefde en vertrouwen, God en man komen op voor elkaar! In het woord chasah zit het woordje cham חם (Cheth, Mem) verborgen, dit betekent warm. David heeft een warme relatie met God.
In vers 7 vinden we het woord scherp, oplettend zijn: ‘Sla acht op mijn geroep!’ Het is het woord haqshibha הקשיבה (Heh, Qoph, Shin, Jod, Bheth, Heh), afgeleid van het werkwoord qashabh קשב (Qoph, Shin, Bheth). Woordverband vinden we in het woord qashah קשה (Qoph, Shin, Heh), hard, moeilijk. ‘Sla acht op mijn geroep, want ik heb het zo moeilijk,’ Ik ben zo zwak!’ Het stamwerkwoord is dawah דוה (Daleth, Waw, Heh), zwak zijn. Notabene heeft dit woord verband met Davids naam zelf: דוד (Daleth, Waw, Daleth). Hij schaamt zich niet om zwak te zijn; hij weet waar zijn hulp vandaan komt!
‘Ze zijn mij te sterk, die vervolgers,’ roept David. Het woord voor sterk zijn, moedig zijn is hier het woord amats אמץ (Aleph, Mem, Tsade). In dit geval is het helemaal niet positief, maar in het woord is wel iets positiefs te vinden, namelijk het binnenwoord eem אם (Aleph, Mem), moeder! Een moeder hoort een sterk persoon te zijn; de spil waarom het gezinsleven draait; tegen wie de kinderen op kunnen zien; die problemen oplost en die als een leeuwin opkomt voor haar kinderen. Maar het woord amats heeft woordverband met het woord matsor מצור (Mem, Tsade, Waw, Resh), wat betekent: benauwdheid en dat is in deze Psalm voor David overduidelijk: benauwd is hij! Tsar צר (Tsade, Resh) betekent ook benauwd, denk maar aan het Hebreeuwse woord voor Egypte: mitsrajim מצרים (Mem, Tsade, Resh, Jod, Mem), waar het woord tsar in verborgen zit; waar het volk het zo benauwd had in de slavernij. Denk ook aan Caesar en Tsaar, beiden hebben hun volk met hun regimes benauwd.
‘Leid mijn ziel uit de kerker/beklemming,’ bidt David. Hij is niet werkelijk in een kerker, maar ervaart een zielsbeklemming die veel verder lijkt te gaan dan opgesloten zijn in de spelonk, daar bij Ein Gedi. Niemand heeft hem opgesloten, hij is op de vlucht voor Saul en hij had zich op vele manieren kunnen verstoppen. Maar zijn ziel is belast en gekrenkt; het zal je maar gebeuren dat je aan het hof verkeerde, zelfs tot koning bent gezalfd en dat dan de huidige koning je naar het leven staat, gelukkig maken maar heel weinigen zoiets mee. Hotsiah הוציאה is het woord dat David gebruikt wanneer hij aan God vraagt om zijn ziel uit te leiden uit de kerker. Het stamwerkwoord is jats’a יצא (Jod, Tsade, Aleph), uitgaan, naar buiten gaan. Dit woord heeft overigens ook woordverband met het al genoemde woord voor sterk, moedig zijn: amats אמץ . Het vergt ook moed om je uit te laten leiden, nieuwe verten tegemoet.
Het woord voor kerker, beklemming is het woord masger מסגר (Mem, Samekh, Gimel, Resh). Dit woord is afgeleid van de werkwoordstam sagar סגר (Samekh, Gimel, Resh), wat betekent: sluiten. Davids ziel, zijn nephesh נפש (Nun, Peh, Shin) heeft bevrijding nodig om op adem te komen. Nephesh, ziel, stamt van het werkwoord naphash נפש wat betekent: op adem komen, uitrusten. In het fonetische woord naphash vinden we het Engelse woord nap, wat betekent een dutje doen en dat doet denken aan het interview met een vooraanstaande Chinese cardioloog aan wie werd gevraagd of het goed is voor het hart en of we ouder worden door veel te sporten. In gebroken Engels antwoordde hij dat een auto ook niet ouder wordt doordat men er harder mee gaat rijden dus is dit net zo met het menselijk hart. Zijn conclusie: take nap! Doe een dutje! Goed idee, toch? De basis voor de ziel is rust nemen, op adem komen. Wat is het Hebreeuws toch mooi bedacht door onze Schepper!
‘Rechtvaardigen, tsadiqim צדיקים (Tsade, Daleth, Jod, Qoph, Jod, Mem) zullen mij omringen, want U deed mij wel/doet mij wel/zult mij weldoen’ zegt David in vol vertrouwen. Weer dat vertrouwen! Vanuit de benarde positie waarin hij verkeert, spreekt David opnieuw uit dat God zijn Bevrijder is.
Tsadiqim, rechtvaardigen, is een woord dat is afgeleid van de werkwoordstam tsadaq צדק (Tsade, Daleth, Qoph), rechtvaardig zijn, rechtschapen zijn, in zijn recht staan (bij een rechtszitting). Een tsadiq is een vrome, Godvrezende, iemand die gelijk heeft (ook juridisch). Wie Godvrezend is heeft daar gelijk in; David is Godvrezend en heeft daar gelijk in.
Het woord voor weldoen is het woord gamal גמל (Gimel, Mem, Lamed), wat ook betekent: voltooien, doen rijpen, aandoen, vergelden, voortbrengen, belonen, klaar/rijp zijn. Wanneer God David weldoet, dan vergeldt Hij ook het kwaad van zijn belagers. Dit doet denken aan Psalm 23 waarin David zegt: ‘Gij richt voor mij een dis aan voor de ogen van wie mij benauwen (vs. 5).’ Zo gaat het ook met het tegenwoordige volk Israël dat zo belaagd wordt met leugens, ze zal in het gelijk worden gesteld want God is de Grote Tsadiq, Degene Die in Zijn recht staat, de Rechter van de wereld en Degene Die het volk Israël aan Zich geheiligd heeft als voorbeeldvolk, wiens lijden David zo vaak heeft voorzegd, maar voor wie het ook allemaal goed gaat komen, die zich ook zal omringen met Tsadiqim wanneer de Messias zal komen… God leidde David uiteindelijk uit en stelde hem als koning over het volk en zo zal de Zoon van David regeren met en vanuit Zijn volk, we kunnen niet wachten!