Deze Psalm is volgens de vertalingen ván David, echter, in werkelijkheid is deze Psalm, volgens Joodse geleerden zoals Kimchi, Rashi, Hirsch en Ibn Ezra als gebed aan God vóór David bedoeld. Het zou geschreven zijn als zegenbede aan koning David, waarschijnlijk voordat de strijd tegen de Ammonieten en Syriërs losbrak; in die strijd worden namelijk in 2 Samuel 10:18 strijdwagens genoemd, welke ook genoemd worden in hoofdstuk 8 van deze Psalm. David is waarschijnlijk wel degene geweest die deze zegenbede heeft opgetekend, maar degene die de zegen aan hem heeft uitgesproken, waarschijnlijk een van zijn mannen uit het leger, is verder onbekend. In deze Psalm noem ik diegene de Psalmist.
De grammatica in deze Psalm geeft ruimte om de werkwoorden die op het handelen van God slaan te vertalen als in de verleden tijd, tegenwoordige tijd en toekomende tijd, maar ook als bede: moge Hij. Ik heb de werkwoorden aan het begin als bede vertaald: moge Hij en in vers 7 als conclusie laten klinken: God redt; de Aanwezige (JHWH) doet overwinnen! Zo ziet u maar wat er allemaal met het Hebreeuws mogelijk is.
Vers 1
לַֽמְנַצֵּחַ מִזְמוֹר לְדָוִֽד
Lamnatséach mizmor leDavid
Voor de koorleider een lied voor David
Het woord menatseach מנצח (Mem, Nun, Tsade, Cheth) hebben we al eerder behandeld. Wat we nog toe willen voegen is dat het stamwerkwoord ervan, natsach נצח (Nun, Tsade, Cheth) zowel in het Hebreeuws, het Aramees en het Arabisch bestaat. In het Hebreeuws betekent het onder meer: vooraanstaand zijn, leidinggevend zijn. Wel, een zangleider staat wel meest letterlijk vooraan, voor het koor. In het Aramees en het Arabisch betekent dit woord respectievelijk onder meer eminent zijn en puur, betrouwbaar zijn. Ook deze uitleg heeft alles met een zangleider te maken want hij heeft aanzien; staat voor God en mensen en dus zal hij transparant, integer moeten zijn.
Vers 2
יַֽעַנְךָ יְהֹוָה בְּיוֹם צָרָה יְשַׂגֶּבְךָ שֵׁם אֱלֹהֵי יַֽעֲקֹֽב
Ja‘ankha JHWH bejom tsárah jesagebhkha shem Elohej Ja‘aqobh
Moge de Aanwezige (JHWH) u antwoorden op de dag der benauwdheid; moge (de) Naam van de God van Jacob u in veiligheid brengen.
De Psalmist gaat ervan uit dat David gebeden heeft omdat hij spreekt over Gods antwoord. Antwoorden is het Hebreeuwse werkwoord anah ענה (Ajin, Nun, Hé). Het staat ook, anders uitgelegd, in Psalm 35:13 waar David zegt: ‘…Als zij ziek waren, was een zak mijn kleed en ik kwelde mijn ziel met vasten…’ Anah betekent ook gebukt gaan; moeite doen en zelfs zingen, zingend getuigen, wat in wezen een antwoord is op Gods verlossende werk in ons leven.
Het Hebreeuwse woord voor benauwdheid is hier het (in dit geval vrouwelijke) woord tsarah, צרה van het woord tsar צר (Tsade, Resh): denk maar aan de Russische tsaar of de Italiaanse Caesar, wiens regime hun volk benauwde. Tsaar en Caesar zijn duidelijk Hebraïsmen; afgeleid van tsar. Ook in Egypte, in het Hebreeuws Mitsraim, מצרים was benauwenis voor het volk Israël; het woord tsar, dik gedrukt, is geheel in Mitsrajim terug te vinden.
In veiligheid brengen of ook wel vertaald als in een hoog vertrek brengen heeft als stamwerkwoord sagabh שגב (Sin, Gimel, Bheth). Onbereikbaar hoog en veilig zijn, is voor de schapen van de Herder de ideale situatie. Geen wolf of ander roofdier kan erbij. Een hoog vertrek, de uitdrukking die David zelf zo vaak gebruikt in zijn Psalmen, gaat dus niet over een ruimte met hoge muren en een dak van steen, maar over op een hoogte zijn met de hemel, waar God Zelf troont, als dak! In het Nederlands kennen we de uitdrukking: iemand op de hoogte brengen van een bepaalde situatie, bedoelt wordt hiermee: iemand inzicht verschaffen. Wel, David kreeg vast en zeker zijn inzichten op de hoogte met God!
Hoe kan de naam van God nu zelfstandig handelen? ‘De naam van God brengt u in veiligheid,’ zegt de Psalmist hier. Een naam is toch maar een naam en die heeft toch geen macht van zichzelf? De Psalmist bedoelt hier dat God reageert wanneer Zijn naam wordt áángeroepen. In Joël 2:32 roept God de mens zelfs op om Zijn naam aan te roepen: ‘En het zal geschieden dat al wie de naam des Aanwezigen (JHWH) aanroept, die zal behouden worden.’ Wat een boodschap aan ons als lezers van deze Psalm, meer is er niet nodig dan de naam van God aan te roepen voor wat dan ook, Hij zal verhoren, Hij zal ons redden, net zoals Hij bij David en zijn mannen deed.
Vers 3
יִשְׁלַֽח–עֶזְרְךָ מִקֹּדֶשׁ וּמִצִּיּוֹן יִסְעָדֶֽךָּ
Jishlach-ezrekha miqodesh umitsion jisádekha.
Moge Hij zijn hulp zenden uit het heilige en moge Hij u uit Tsion verkwikken/ondersteunen
God zéndt hulp, zegt de Psalmist hier. Betekent dit dat Hij niet Zelf komt? Dat Hij iemand anders stuurt? Beschermengelen? Een legermacht? Het tweede deel van dit vers slaat wel degelijk op God Zelf, Die David zal ondersteunen en verkwikken, hem nieuwe kracht zal geven.
Voor de woorden ‘uit Tsion’ staat een Waw: ומציון deze Waw ו doet hier dienst als en, maar deze kan ook dienst doen als opdat en dan krijgt dit vers een geheel andere loop: ‘Hij zal u hulp zenden uit het heilige opdat Hij u uit Tsion verkwikt/ondersteunt.’ Zo mag men dit vers ook lezen. Men kan hier voor deze Waw inplaats van en ook nog zodat of doordat invullen, waardoor deze zin weer anders gaat lopen, zo krijgt u nieuw inzicht in dit vers.
Hulp is in het Hebreeuws ezra עזרא (Ajin, Zajin, Resh, Aleph), denk maar aan de profeet Ezra. Dit woord is afgeleid van het werkwoord azar עזר (Ajin, Zajin, Resh) en dat betekent helpen, te hulp komen. ‘Want de Heere, de Aanwezige helpt Mij, daarom word ik niet te schande,’ profeteert Jesaja (Jes. 50:7). Een profetisch woord is sowieso een hulp en verkwikking voor de mens. In de tijd van David waren er natuurlijk Shmu’el en daarna Nathan; de profeten die corrigeerden en bemoedigden, een profeet is een gezondene van God, een nabhie נביא (Nun, Bheth, Jod, Aleph), van het werkwoord nabha נבא (Nun, Bheth, Aleph) wat betekent: profetisch spreken. Wanneer de Psalmist David zo zegent dan bedoelt hij waarschijnlijk dat hij verkwikt mag worden door profetische woorden, gezonden uit het Heiligdom.
Verkwikken/ondersteunen is het Hebreeuwse woord sa‘ad (סעד Samekh, Ajin, Daleth). Het komt vanzelfsprekend vrij vaak voor in de Psalmen, zoals in 20:3; 41:4; 94:18 en 104,15. Heel mooi in Genesis 18:5 is dat Abraham God Zelf ondersteunt en verkwikt met de maaltijd die hij Hem voorzet. Niet voor niets begint het woord sa‘ad סעד met een Samekh, ס de letter van de ondersteuning. De Samekh is de enige ronde letter in het Hebreeuwse Alephbeth (Alfabet) en dat op zich zegt al iets: ‘De engelen van de Aanwezige legeren zich rondom degenen die Hem vrezen.’ Een ander woord voor ondersteunen is dan ook het werkwoord samakh סמך wat dezelfde letters heeft als Samekh.
Vers 4
יִזְכֹּר כָּל–מִנְחֹתֶךָ וְעוֹלָתְךָ יְדַשְּׁנֶה סֶֽלָה
Jizkor kol-minchotekha we‘olátkha jdashneh, seláh
Moge Hij gedenken al uw offergaven en uw brandoffers vet/aangenaam vinden, selah
Gedenken is het werkwoord Zakhar זכר (Zajin, Khaph, Resh). In dit woord zit een binnenwoord verborgen wat we niet zo gauw met gedenken in verband zouden brengen, namelijk het woord zar זר (Zajin, Resh), wat meerdere betekenissen heeft en wat in feite niet heel positief opgevat hoeft te worden. Het kan betekenen vreemd, anders, niet eigen, religieus vreemd en zelfs onaangenaam. Is dat waarom de Psalmist zo specifiek aan David toewenst dat zijn offers door God ten goede in gedachtenis worden genomen? God kan een offer wel degelijk afwijzen, we hadden dit al gezien bij Kain, en God gaat op een gegeven moment behoorlijk tekeer tegen het volk dat komt om te feesten en te offeren, dit is Hem zeer onaangenaam omdat ze de zonde niet uit hun midden hebben weggedaan (Amos 5:12-27).
Een offergave is in het Hebreeuws een minchah מנחה (Mem, Nun, Cheth, Hé), afgeleid van het werkwoord manach , מנח (Mem, Nun, Cheth) wat overigens in de Bijbel niet wordt gebruikt. In het Arabisch betekent dit werkwoord: geven. Beide talen, overigens, Hebreeuws en Arabisch zijn zogenoemde Semitische talen. Semitisch is uiteraard afgeleid van de zoon van Noach: Sem, wiens nakomelingen Semieten worden genoemd. Wat wél in het Hebreeuws wordt gebruikt in plaats van manach, is het werkwoord qarabh קרב (Qoph, Resh, Bheth), wat betekent: naderen. We naderen God nooit zomaar, maar altijd met een minchah, of ook wel een qorban קרבן (Qoph, Resh, Beth, Nun) een geschenk of offergave.
Als we minchah מנחה anders beklinkeren dan krijgen we het prachtige woord menuchah, מנחה wat betekent rust, stil. Dit woord is ook te vinden in Psalm 23 waar God David leidt aan zeer stille wateren. Tegenwoordig zijn rust en stilheid vaak een onderdeel van ons gebedsleven en juist daarin zit hem de offergave. Stil worden voor God is een hele kunst en moet echt beoefend worden, maar juist daarin zit hem de diepe aanbidding, aanbidding als geschenk, offergave aan Hem, Die ons leven leidt. David heeft hier ervaring mee, het is in vele Psalmen van hem te lezen dat hij deze zegening van de stilheid met God meemaakt, dat maakt zijn Psalmen ook zo mooi; als we deze bestuderen, dan lezen we dingen van de hand van een ervaringsdeskundige!
Jedashenah ידשנה (Jod, Daleth, Shin, Nun, Hé) betekent: moge Hij (uw offer) vet/aangenaam vinden. Kinderen zeggen vaak als ze iets leuk vinden: vet! Laat dat nou een Hebraïsme zijn! Dit woord komt van het werkwoord dashan דשן (Daleth, Shin, Nun) en dat betekent vet zijn/worden. Woordverband is er met ‘ashen עשן (Ajin, Shin, Nun) wat betekent roken. Het brandoffer, olah עולה (Ajin, Waw, Lamed, He) gaat dan ook in rook op. Overigens is er ook woordverband met shemen שמן, olie, ook een vette substantie waarmee geofferd wordt.
Vers 5
יִתֶּן–לְךָ כִלְבָבֶךָ וְֽכָל–עֲצָֽתְךָ יְמַלֵּֽא
Jiten-lekha khilbhábhekhá wekhol-atsatekha jemale
Moge Hij u geven naar uw hart en uw plan/strategie/raad vervullen
Hart, lebh לב (Lamed, Bheth) komt van het Hebreeuwse werkwoord labhabh לבב (Lamed, Bheth, Bheth) en dit betekent inzicht verwerven. We zeggen in het Nederlands weleens iets over lef hebben, dat is een Hebraïsme, de uitdrukking lef hebben is in feite hart hebben. Het hart heeft in de Bijbel ook alles te maken met inzicht hebben. Het is overigens bekend dat mensen die een harttransplantatie hebben ondergaan, zich daarna heel anders voelen, een andere hartsgesteldheid is in hen gekomen. Het hart is zo veel meer dan een orgaan dat bloed rondpompt. God spreekt in de Bijbel over de overleggingen van ons hart (o.a. Psalm 19:15). Ook kan het hart arglistig, dodelijk zijn volgens Jeremia 17:9. Het hart heeft zijn eigen redenen en daar kunnen we met ons verstand vaak niet tegenop. Neem als voorbeeld dat men verliefd kan worden op iemand terwijl het verstand daartegen waarschuwt.
In het woord labhabh לבב zit het woord bal בל (Beth, Lamed) verborgen en dit betekent niet. Ook daar is in het Nederlands een Hebraïsme mee te vinden: ergens geen bal van snappen kan betekenen dat we nog geen inzicht verkregen hebben in datgene.
Als we het woord labhabh לבב dooreen husselen, dan kunnen we het woord Babhel בבל (Beth, Bheth, Lamed) maken: Babel. We kennen allemaal de geschiedenis van de bouw van de toren van Babel, men dacht dat men een naam voor zichzelf moest maken, dat men anders verstrooid zou worden, zo’n typische overlegging van het hart is dat.
Vers 6
נְרַנְּנָה בִּישׁוּעָתֶךָ וּבְשֵֽׁם–אֱלֹהֵינוּ נִדְגֹּל יְמַלֵּא יְהֹוָה כָּל–מִשְׁאֲלוֹתֶֽיךָ
Neranenáh bishuátekhá ubheShém-Elohékhá nidgol jemalé JHWH kol-mishalotekhá
Wij juichten/juichen/zullen juichen in Uw redding/heil en in de Naam van onze God
een vaandel opsteken; moge de Aanwezige al uw vragen/eisen vervullen
Wij juichen/zingen vrolijk/roepen/joelen/ jubelen. Het is het werkwoord ranan (רנן Resh, Nun, Nun) wat we ook vinden in Psalm 32:7b waar David uitroept: ‘Gij omringt mij met jubelzangen van bevrijding.’ Een woordverband met ranan heeft het woord nun נון (Nun, Waw, Nun), wat een oud woord is voor vis en wat staat voor bevrijding. Ook zit het binnenwoord ner נר (Nun, Resh), licht, lamp erin. Gods Woord is een lamp voor onze voet en een licht op ons pad (Psalm 119:105); dat geeft reden om vrolijk te zingen: Hij verlaat ons nooit; Zijn licht leidt altijd naar bevrijding!
Redding is jeshuah ישועה (Jod, Shin, Waw, Ajin, Hé), een vrouwelijk zelfstandig naamwoord. Vandaar, we zeiden het eerder, dat wij er wat moeite mee hebben als Jezus Jeshuah genoemd wordt: 1. dit is geen werkwoord en de naam van Zijn Vader, JHWH יהוה (geschieden, gebeuren, aanwezig zijn) is dat wél en 2. het is een vrouwelijk woord want het eindigt op een Hé met een a-klank. Nu, we weten allemaal dat Hij niet als vrouw op aarde kwam. Dan poetst men dus die Hé maar weg en dan krijgt men de naam Jeshua ישוע, eindigend op een Ajin ע, maar wie iets meer weet van het Hebreeuws, die weet dat een lettertje wegpoetsen absoluut ‘not done’ is… Jezus heette op aarde Jehoshua, Jozua, en deze naam is mannelijk en ook een werkwoord, net zoals de naam JHWH (gebeuren, geschieden, aanwezig zijn). ‘Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook!’ (Johannes 5:17).
De eerste drie letters van JHWH יהוה zijn hetzelfde als de eerste drie letters van Jehoshua יהושע. Dit zijn allemaal geen toevalligheden in de Bijbel. Jehoshua betekent Hij bevrijdt. Jozua, de zoon van Nun (Nun betekent bevrijding), die het volk uiteindelijk binnenleidde in het Beloofde Land, was dus een voorgestalte van Jozua, de Zoon van de Bevrijder, Die uiteindelijk het volk zal binnenleiden in Zijn Vaders Koninkrijk en de locatie daarvan is eveneens het Beloofde Land, want Hij heeft beloofd dat Hij te Jeruzalem komt wonen, temidden van Zijn volk (Ezechiël 43:7).
Een degel דגל is een vaandel in het Hebreeuws. Het komt van het werkwoord dagal דגל wat betekent het vaandel heffen.
Moge de Aanwezige al uw vragen/verlangens vervullen mishalotekha משאלותך (Mem, Shin, Aleph, Lamed, Waw, Taw, Khaph) afgeleid van het werkwoord sha’al שאל (Shin, Aleph, Lamed) wat ook betekent eisen/vragen. Dit werkwoord heeft woordverband met she’ol שאול (Shin, Aleph, Waw, Lamed): onderwereld of het verblijf van de doden. Wie dood is, die kan geen vragen meer stellen…
Vers 7
עַתָּה יָדַעְתִּי כִּי הוֹשִׁיעַ יְהֹוָה מְשִׁיחוֹ יַֽעֲנֵֽהוּ מִשְּׁמֵי קָדְשׁוֹ בִּגְבֻרוֹת יֵשַׁע יְמִינֽוֹ
Atáh jádati ki hoshia JHWH meshicho ja‘anéhu mishméj qodsho bigbhurot jésha jemino
Alzo, ik heb (het wel) geweten; de Aanwezige redt Zijn Gezalfde; Hij antwoordde/antwoordt/zal antwoorden uit Zijn heilige hemel, met de heldhaftigheid van Zijn reddende rechter(hand)
Het klinkt enthousiast: ‘Ik wist het wel, ik heb het wel geweten: God redt David, Zijn gezalfde, uit de macht van de vijand!’ Dit hele vers straalt zoveel vertrouwen uit. Wat prachtig, let wel: de strijd moet nog beginnen en dan zegt de Psalmist zoiets! Wat een les voor ieder die het leest; we hebben te maken met God, Die volledig te vertrouwen is en die stáát voor Zijn kinderen. Het werkwoord hoshia הושיע (Hé, Waw, Shin, Jod, Ajin), is vervoegd van het werkwoord jasha ישע, redden.
Weten is het woord jáda‘ ידע (Jod, Daleth, Ajin), dit is een heel bijzonder woord; het betekent ook (intiem) kennen, bekennen, zoals Adam Chava bekende, seksueel contact met haar had. ‘Mijn volk gaat te gronde door gebrek aan kennis,’ zegt God in Hosea 4:6; het hier gebruikte woord voor kennis, דעת (Daleth, Ajin, Taw) is afgeleid van het werkwoord jáda‘. God wil intiem gekend worden door de mens, dat hebben we al eens eerder benadrukt in Tijdstip. Het is Gods ernstige waarschuwing hier in Hosea…
Gezalfde is mashiach משיח (Mem, Shin, Jod, Cheth), afgeleid van het werkwoord mashach משח (Mem, Shin, Cheth), zalven, bestrijken met olie, wijden. Waartoe wordt men gezalfd: om koning of om priester te worden. Er kan overigens nogal wat tijd zitten tussen de zalving en de daadwerkelijke uitwerking ervan, zoals bij David, die tot koning gezalfd werd toen hij nog maar een jongen was. Wat een ellende heeft hij nog allemaal meegemaakt voordat hij ook werkelijk aantrad! Het was dan wel zaak om de moed niet te verliezen in die wachttijd toen hij op de vlucht was voor Sha’ul…
Heldhaftigheid is giburoth גברות (Gimel, Beth, Resh, Waw, Taw), afgeleid van het werkwoord gabar גבר (Gimel, Beth, Resh) wat betekent machtig, krachtig zijn, de overhand hebben. Een binnenwoord is het woord rabh רב (Resh, Bheth) en dit betekent onder meer groot, machtig, groter, ouder. Psalm 45:4 zegt: ‘Gord Uw zwaard aan de heup, o Held, Uw majesteit en heerlijkheid.’ God Zelf is de Held, de gibor גבור (Gimel, Beth, Waw, Resh) van David.
Vers 8
אֵלֶּה בָרֶכֶב וְאֵלֶּה בַסּוּסִים וַֽאֲנַחְנוּ בְּשֵֽׁם–יְהֹוָה אֱלֹהֵינוּ נַזְכִּֽיר
Éleh bhárekhebh w’éleh bhasusim bha’anachnu b’shém-JHWH Elohenu nazkir
Dezen op een wagen en genen op paarden maar wij herdachten/gedenken/zullen gedenken de naam van de Aanwezige, onze God.
‘Wij zullen eraan denken om de naam van onze God aan te roepen want daarin is redding,’ daar hebben David en zijn mannen ervaring mee, dat weten we uit de geschiedenis. De Psalmist klinkt vol vertrouwen, geen enkele onzekerheid is hier in dit vers te bespeuren. David heeft evenzogoed later geducht de vingers gebrand toen hij wel degelijk zijn paarden en wagens ging tellen en de woede van God op zijn hals haalde (2 Samuel 24). Er komt wel iets heel goeds uit voort want om de straf van God te doen stoppen, moet hij de dorsvloer van Arauna kopen, de latere Tempelberg… Het is overigens zo’n beetje het laatste wat David doet want hij is daar aan het eind van zijn leven aangekomen. Hij bereidt nog de Tempelbouw voor, de tempel zal komen te staan op de dorsvloer, later zal dit gerealiseerd worden door zijn zoon Shlomo, want David heeft teveel bloed aan zijn handen, Shlomo heeft geen enkele oorlog gevoerd; de man van vrede mag het Huis des Heeren bouwen.
Vers 9
הֵמָּה כָּרְעוּ וְנָפָלוּ וַֽאֲנַחְנוּ קַּמְנוּ וַנִּתְעוֹדָֽד
Héma kár‘u wenáphálu wa’anachnu qamnu wanit‘odád
Zij zijn gekromd en gevallen, maar wij zijn weer opgestaan en hersteld
Gekromd, gebogen zijn is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord kara‘ כרע (Kaph, Resh, Ajin), wat ook betekent knielen. Typisch is dat er in dit woord een binnenwoord schuilt met de betekenis: slecht, kwaad: ra רע (Resh, Ajin). God laat David deze vijand verslaan omdat er slechtheid, kwaad in zit en dat moet weg. Het kwaad moet uitgeroeid worden; kara heeft woordverband met het woord dat onder meer uitroeien betekent: karath כרת (Kaph, Resh, Taw).
Naphal נפל (Nun, Phé, Lamed) betekent vallen, liggen. Dit woord heeft woordverband met naphats נפץ (Nun, Phé, Tsadé) en dit betekent stukslaan, uit elkaar slaan. David slaat het leger van de vijand uit elkaar. Overigens stelt de Psalmist hier: ‘Maar wij zijn weer opgestaan,’ dit betekent dat ook het leger van David weleens valt, echter, door Gods ondersteuning blijft men niet liggen, dat is hier het verschil met het vijandelijke leger. Ook dit vers kan men anders lezen doordat de Waw ו, die hier wordt vertaald met maar (maar wij; weánachnu, ואנחנו) gelezen kan worden als: doordat/zodat. ‘Zij zijn gekromd en gevallen doordat/zodat wij weer zijn opgestaan.’ Als we dit vers op zo’n manier lezen, krijgen we inzicht in hoe zwaar de strijd is geweest: letterlijk met vallen en opstaan mocht het leger van David overwinnen. Dat ene Wawje ו maakt zoveel verschil in hoe de plot van dit vers uitgewerkt kan worden!
Nitodad נתעודד is een vrij zeldzame ‘hitpolel-vorm’ waarbij de laatste letter dubbelt, vandaar dat we tweemaal een Daleth zien aan het einde van het woord. Het staat er in de passieve vorm en betekent dan ook: hersteld worden. Het stamwerkwoord is ‘od עוד (Ajin, Waw, Daleth) en dat betekent herhalen, opnieuw doen, terugkeren.
Het woord qum קום (Qoph, Waw, Mem) wat ervóór geschreven staat, betekent opstaan. Denk maar aan Jehoshua, Die het dochtertje van Yairus aanzegt: ‘Sta op,’ qumi קומי (Qoph, Waw, Mem, Jod), waarbij de Jod het vrouwelijke aangeeft.
Vers 10
יְהֹוָה הוֹשִׁיעָה הַמֶּלֶךְ יַֽעֲנֵנוּ בְיֽוֹם–קָרְאֵֽנוּ
JHWH hoshi‘áh hamelekh ja‘anenu bhejom-qár’énu
HEERE, red de koning, Hij antwoordt ons op de dag dat wij hebben geroepen.
Hoshi‘ah is weer een hiphilvorm (afgeleid van het werkwoord voor redden, jasha ישע); een zogenoemde doe-vorm, maar nu in de gebiedende wijs: o HEERE (Aanwezige), red! Toch een vrij wanhopig klinkende vraag hier, we zien het gemoed van de Psalmist schommelen tussen vertrouwen en onrust en dan meteen in ditzelfde vers weer: Hij antwoordt ons!
Opvallend dat er staat dat God antwoordt op de dag dat wij hebben geroepen. De werkwoordstijden staan hier een beetje door elkaar, lijkt het. Het versterkt het beeld dat God meteen antwoord gaf op de dag dat David en zijn mannen Hem aanriepen, de situatie was urgent en dus greep God ook meteen in. In 2 Samuel 10:18 kunnen we dan ook het resultaat lezen: David versloeg de Ammonieten en de Syriërs. Deze geschiedenis krijgt door het bestuderen van deze Psalm nog meer diepte en betekenis.
Deze Psalm heeft door de meerdere manieren waarop men de woorden kan vertalen een bijzondere diepte en verdient daardoor al onze aandacht. Het is weer één van de vele juweeltjes uit de Bijbel waar de lezer van mag genieten en van mag leren want de boodschap voor David toen is er ook één voor een ieder in onze tijd…
(zie ook dit artikel over Psalm 20)