Een Psalm van David, wiens naam betekent: geliefde, lieveling, vriend.
Door koning David zelf geschreven en aangeboden aan de koorleider. Kunt u het zich voorstellen? De koning zelf, die aan een lagere in rang zijn liedjes aanbiedt. Kwetsbaar! Zijn ze wel goed genoeg of zijn het maar frutsels; kan de koorleider er wel iets mee? David voelde zich er niet te goed voor. Stelt u zich eens voor: koning Willem Alexander biedt zijn liedjes aan de beroemde, maar veel lager in rang staande dirigent van het Nederlands kamerorkest aan? Niet voor eigen gebruik ook nog, maar bedoeld om de God van Israël mee te aanbidden. Denkt u ook niet dat Nederland er anders uit zou kunnen zien als dit werkelijkheid was? Wat zou dat geweldig zijn!
למנצח בנגינות מזמור לדוד
Lamnatseach binginoth mizmor leDavid
Voor de koorleider op snarenspel, lied van David
Alleen al over deze introductie is zoveel te vertellen! We beginnen maar gewoon bij het begin, bij het Hebreeuwse woord voor koorleider of dirigent: menatseach מנצח, afgeleid van het werkwoord natsach נצח en dit werkwoord betekent vooraanstaand, leidinggevend zijn. Hetzelfde woord, maar iets anders beklinkerd werpt licht op de taak van de dirigent: het woord netsach נצח, wat onder meer betekent glans, roem, heerlijkheid. De bedoeling is dat al deze dingen God toekomen en niet meneer de dirigent zelf. Laten we eens kijken naar de letters waaruit het woord natsach נצח is opgebouwd: de nun נ staat voor vrijheid; de tsade צ staat voor integriteit, beproefd zijn en de cheth ח betekent verinnerlijking en ook omheining. Hiermee hebben we eigenlijk de taak- en karakteromschrijving van een goede dirigent te pakken: hij moet de vrijheid kunnen nemen om het aangeboden muziekstuk goed te interpreteren én hij moet deze vrijheid in zekere mate aan het orkest kunnen geven voor ieders individuele interpretatie van het stuk. Dan moet hij volslagen integer zijn want hij staat wel voor God en mensen, maar hij mag absoluut niet de eer naar zich toetrekken. Ook geeft hij de noodzakelijke omheining aan het orkest omdat er wel structuur en leiderschap moet blijven tijdens het spelen van het muziekstuk. Hij moet de muziek bij zichzelf en bij het orkest door heel veel oefening laten verinnerlijken, zodat hij en ook de orkestleden de muziek uit kunnen stralen en dat vergt zeer veel voorbereiding. Nogal geen makkelijk baantje!
Het tweede woord is snarenspel, neginot נגינות wat afgeleid is van het werkwoord nágan נגן wat muziek maken betekent. Wat is muziek maken? Laten we voor het antwoord weer eens kijken naar de letters van dit woord, we hebben tweemaal een nun נ ן welke staan voor vrijheid en we hebben een gimel ג welke staat voor beweging. Voor muziek maken heeft men dus heel veel bewegingsvrijheid nodig, de muziek mag vloeien naar waar ze wil. Er gaat in het Jodendom een verhaal dat David zijn harp in de wind hing en als de snaren daardoor aangeblazen werden, dan inspireerden die tonen hem tot de melodieën die hij schreef. Wat een mooie gedachte, laat de Geest, de wind, de ruach רוח maar speels waaien voor inspiratie.
Maar met muziek alleen zijn we er niet, er mag ook gezongen worden en dat is het volgende woord in deze zin: mizmor מזמור, afgeleid van het werkwoord zamar זמר en hier gebeurt iets moois: waar de bewegingsvrijheid volkomen mocht zijn in het maken van de muziek, helemaal vrij zoals de Geest waait, zo beperkt is de woordkeuze in het zingen want… woorden hebben scheppende kracht! Niet alles mag zomaar gezongen worden. Laten we kijken naar de letters van het woord zamar: זמר eerst de zajin ז, welke betekent wapenstok en welke staat voor onder de hand, de discipline van God zijn; dan de mem מ, welke staat voor wachttijd, voor in de woestijn zijn en dan nog de resh ר, welke betekent hoofd, principe. Hier hebben we betekenissen van een heel andere aard, restricties die nodig zijn om geheel zuiver te blijven voor God: onder Zijn hand blijven is nodig voor het schrijven van muziektekst, we moeten wachten en door de woestijn gaan voor diepe doorleefde teksten en we moeten Zijn principes, Zijn leiderschap aannemen, want Hij is ons Hoofd en Hij weet heel goed hoe Hij aanbeden wil worden. Duidelijk! Met deze twee laatste woorden hebben we meteen de aard van God Zelf gekarakteriseerd: Hij is Woord en Geest (Genesis 1:1-3). Als we Hem bezingen in Woord en Geest dan komen we heel dicht bij Hem, zijn we geheel gelijkgestemd met Hem, want Hij troont op onze lofzangen (Psalm 22:4); is het niet wonderlijk? Welke taal ter wereld kan dit soort woordspelingen zo bloot leggen als het Hebreeuws? Aan Hem, Die deze prachtige taal verzon, alle eer; laat ons music-eren.
Vers 2.
בקראי ענני אלהי צדקי בצר הרחבת לי חנני ושמע תפלתי
Bqari aneni Elohej Tsidqi batsar hirchabhta li, chaneni ushma tephilati
Op mijn geroep antwoord mij, mijn God, mijn gerechtigheid/rechtvaardigheid, in benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt, wees mij genadig en hoor mijn gebed.
Dit vers is een gebed en een bevestiging tegelijk; David vertrouwt zijn gebed toe aan Degene Die, zo bevestigt hij, hem ruimte heeft gegeven in benauwdheid, zodoende durft hij om genade te vragen, want dat is de uiteindelijke vraag in dit vers, overduidelijk gevraagd door iemand die ervaring heeft met zijn God; Hij heeft hem eerder uitgeholpen en opnieuw roept David nu Zijn hulp in. Het woord voor roepen, noemen is het werkwoord qara’ ,קרא denk ook aan Genesis waar God toehoorde hoe Adam het geschapene noemen zou. Qara’ קרא heeft woordverband* met ’or, אור licht. David heeft wel wat licht nodig in een moeilijke situatie waar hij wordt omringd door mannen die duistere leugens over hem vertellen, zoals zal blijken uit het verloop van deze Psalm.
*Een woordverband is er wanneer twee verschillende woorden twee gelijke letters hebben, volgens de Hebreeuwse taaltraditie mag er dan naar woordverband gezocht worden en zeer vaak is dit er dan ook. Bij de woorden qara’ קרא en ‘or אור is het woordverband er door de twee gelijke letters aleph א en resh ר. Verderop in dit artikel vinden we nog meer woordverbanden.
Mijn God, mijn Gerechtigheid, roept David uit. Hij roept het als het ware in één adem uit en het staat er ook zo want we hebben hier te maken met een aanleunvorm, of smichut in het Hebreeuws: ’Elohej tsidqiאלהי צדקי . God is dan ook de Rechtvaardige, de Tsadiq צדיק .
Antwoord geven is het Hebreeuwse werkwoord ‘anah ענה, wat we ook tegenkomen in Psalm 35:13, waar David zegt: “Ik kwelde mijn ziel met vasten,” dat kunnen we in de Hebreeuwse grondtekst ook lezen als: “Ik antwoordde mijn ziel met vasten.”
Het woord voor ruimte maken is het werkwoord ráchabh רחב wat woordverband heeft met het woord voor scheppen, herscheppen: bárá‘ ברא. Scheppen is ook ruimte maken voor iets nieuws, ruimte scheppen. God schiep de ruimte, schiep de hemel en de aarde en vulde deze ruimte in met nieuw leven. Hij maakte ook ruimte in Davids benauwdheid: tsar צר. Denk bij het woord tsar ook aan tsaar en ceasar, beiden overheersers, die de persoonlijke ruimte van mensen hebben aangetast. In het woord voor Egypte, Mitsrajim, zit ook dit woord verborgen: מצרים, waar het volk Israël zeer in de benauwdheid heeft gezeten. Draaien we tsar om, dan krijgen we het woord rats רץ: in de rats zitten.
Het woord voor genade is het woord chenחן . Genade is eigenlijk een verrassende wending: dat licht wat David zo nodig heeft in zijn situatie, schijnt plotseling en daar is in het schijnsel van dat licht ineens de uitweg zichtbaar, dat is genade: ongedacht en onverdiend! Chen komt van het werkwoord chanan חנן, genadig zijn. Chanan bestaat uit een cheth ח en twee keer een nun נ ן . De cheth staat voor verinnerlijking, zoals we eerder al zagen in deze Psalm en de nun voor vrijheid. God heeft David bevrijd uit de benauwdheid en David heeft dat duidelijk verinnerlijkt want hij grijpt in zijn vraag om genade terug op deze bevrijdende ervaring. Let overigens ook op het woordverband met het woord dat we al eerder behandelden: ganan גנן , muziek maken. Daar is genade voor nodig en David doet het ook uit genade.
Vers 3.
בני-איש עד-מה כבודי לכלמה תאהבון ריק תבקשו כזב סלה
Bené ish ad meh kbhodi likhlimah te’ehabhon riq tebhaqshu khazabh selah
Manszonen, waartoe/tot wat mijn eer tot schaamte, hebt gij de leegte/ijdelheid/zinloosheid/strijd lief, zoekt gij leugen
Het gebed gaat hier plotseling over in een roep naar bepaalde mensen in een op het eerste gezicht moeilijk lopende zin, waarbij de vertaler wel vrij moet vertalen om de zin in het Nederlands lopend te krijgen. Het maakt begrijpelijk waarom de Statenvertaling het weer anders vertaalt dan de NBG en NBV. Wij hebben dit niet gedaan, maar het gelaten zoals het letterlijk in het Hebreeuws staat.
Manszonen, benej-’ish בני-איש is een wat typische uitdrukking, de NBV vertaalt deze uitdrukking met machtigen. In ieder geval wordt David door hen verdrukt, dat is wel duidelijk en vraagt hij vrij wanhopig hoe lang ze nog doorgaan met over hem te liegen.
Het woord voor eer is het Hebreeuwse woord kabhod כבוד , afgeleid van het werkwoord kabhad, כבד: gewichtig/zwaar zijn, ernstig/verstokt zijn. Een zwaar woord voor een ernstige zaak. Eerverlies is vreselijk, een goede naam is heel belangrijk en David dreigt deze te verliezen door de leugens van anderen. Dat is heel moeilijk te verkroppen: hij roept het in deze Psalm uit naar God en naar zijn belagers.
Het woord voor schaamte is het Hebreeuwse woord klimáh כלמה, wat afgeleid is van het werkwoord kalam כלם, zich schamen. Dit woord houdt verband met het woord klej כלי, bedrieger, sluw mens, maar houdt ook verband met het woord keleb כלב, hond, schandknaap, zoals in Deuteronomium 23:18a beschreven: “Gij zult geen hoerenloon noch hondenprijs in het huis des HEEREN uws Gods brengen…” Een hondenprijs is de prijs voor een schandknaap en dat is een beschamende gruwel in Gods ogen.
Liefhebben is het woord ahabh אהב, wat bestaat uit twee binnenwoorden: ’abh אב, vader en ba’ בא komen: in Zijn liefde komt Vader naar David toe. Echter, de belagers van David hebben het verkeerde lief: het lege, zinloze, het ijdele, de strijd. Sufferds.
Het Hebreeuwse woord voor leeg, ijdel en zinloos is het woord réq ריק . Het werkwoord waarvan dit woord is afgeleid, wordt op dezelfde manier uitgesproken en betekent leegmaken, maar ook strijden. Logisch dat dit woord verband houdt met het woord ribh ריב, twisten, strijden, (een zaak) verdedigen. Uit zo’n woordverband blijkt dat veel strijd helemaal tot niets leidt. De strijd waarin David tegen zijn wil in betrokken lijkt te zijn, is de strijd waar zijn nageslacht ook in is verwikkeld. Keer op keer valt het op dat de Psalmen van David Messiaans zijn en niet alleen naar de Messias toe, maar ook zeker naar Zijn volk toe, wat ook het messiaanse volk is (Psalm 105:15: Raak Mijn gezalfden/Mijn volk niet aan). Zijn strijd is Israëls strijd. We herkennen zo sterk zijn uitroep: Houdt toch eens op met liegen over mij! Dat is hetzelfde wat het volk Israel heden ten dage kan uitroepen; er is geen volk zo verleugend als juist dit kleine Godsvolk. De media heeft een veel grotere invloed dan we zouden denken, dat zijn de machtigen, de zonen van ’ish, die zoveel onwaarheden propageren over Israel. Onze troost is dat zij eens voor de troon van God komen te staan en dat we dan weleens zullen zien wat ze nog te zeggen hebben bij het zien van De Waarheid!
Het woord voor leugen, bedrog is hier het woord kázábh כזב, wat is afgeleid van het werkwoord dat vrijwel hetzelfde klinkt: kazabh כזב, liegen. Dit woord heeft woordverband met het werkwoord beroven, plunderen: bazaz בזז . Wie over een ander leugens rondvertelt, berooft diegene van zijn eer kabhod כבוד en dat is ernstig, dit zagen we al eerder, maar is het niet opmerkelijk dat het woord kabhod כבוד ook woordverband heeft met het woord voor leugen, kazabh כזב ? Eer is heel kwetsbaar: het kan zomaar worden weggeroofd door leugens van anderen…
Vers 4.
חסיד לו יהוה ישמע בקראי אליו ודעו כי-הפלה יהוה
Ud’u ki hiphláh JHWH chasid lo JHWH jishma`bqari éláv
Weet toch, want afgezonderd/uitverkoren heeft de HERE (Aanwezige) Zijn gunstgenoot/vrome, de HERE hoorde/hoort/zal horen op mijn geroep aan Hem
Het woord voor afgezonderd/uitverkoren zijn is het Hebreeuwse woord palah פלה . Het eerste wat te binnen schiet is dan de Nederlandse uitdrukking: pal staan. God staat pal voor Zijn gunstelingen en Zijn gunstelingen staan pal voor Hem; daar komt niets tussen. Een woordverband vinden we in het woord pele פלא, wonder, wonderbaarlijk, enorm. Als we pele omdraaien krijgen we het woord Aleph אלף, voortrekker, eersteling, koploper. Dit is de eerste letter van het Aleph-beth en tevens de letter van God Zelf: de Voortrekker, Eersteling en Koploper. Wat een wonder dat God, Die zo enorm is, vriendschap wil sluiten met de mens.
Het woord voor horen is het woord sháma שמע . In dit woord zit het woord naam verborgen: shem שם ; Hij roept ons bij onze naam en wij mogen Hem aanroepen bij Zijn Naam. David belijdt dit hier ook: De HERE/Aanwezige hoort op mijn geroep! Opvallend is dat hier niet de naam Elohim vermeld staat, maar de naam JHWH, wat betekent Aanwezige, waarvan God tegen Mozes/Moshe had gezegd: “Met deze Naam wil Ik herdacht worden.” (Exodus 3:15).
Vers 5.
רגזו ועל-תחטאו אמרו בלבבכם על-משכבכם ודמו סלה
Rigzu we’al techeta’u ‘imru bhilbhabhkhem àl mishkabhkhem wedomu seláh
Beef/raas/wordt opgewonden en/maar zondig niet. Spreek in je hart op je bed en zwijg
Dit is zo’n diepzinnige tekst. In ons artikel over Psalm 91 staat dat het woord vernachten hetzelfde is als het woord klagen: mitlonen מתלנן. Klagen mag je in de rust van de nacht bij God doen, op je bed als niemand het hoort en dan… verder zwijgen, niet met anderen erover praten, niet kwaadspreken want dat is zondigen, chátá’ חטא. Het is zo makkelijk om je gram te halen, maar dat is niet Gods bedoeling, David mag zijn klacht bij Hem leggen en laten. Moeilijk, maar het werkt wel na enige oefening. David roept hier nog steeds tegen de leugenaars die hem belasteren; roept hen op om te klagen bij God en het bij Hem te laten in plaats van praatjes rond te strooien over hem. Maar ook is dit gedeelte van de Psalm een leerdicht, die voor iedereen geldt, ook de lezer wordt hier aangesproken.
Het woord voor beven, razen, opgewonden raken, onrustig worden is de Hebreeuwse woordstam rázag רזג . Laten we eens in dit woord kijken naar de letters: de resh ר is het hoofd, de zajin ז is de wapenstok, of het zwaard en heeft alles te maken, dat zagen we al eerder in de introductie van deze Psalm, met discipline. De gimel ג is kameel en daarmee de letter van beweging. Worden we onrustig of kwaad gemaakt, beven we misschien van woede, dan moeten we, net als David, ons niet het hoofd op hol laten brengen, niet meteen naar het (denkbeeldige) zwaard grijpen, maar nog steeds onder de discipline blijven van God, pas in beweging komen onder Zijn gezag, het kan zijn dat we naar de persoon die ons kwetste toe moeten gaan om het uit te praten, maar eerst moeten we geklaagd hebben bij Hem om de ergste boosheid te laten betijen en misschien had die ander wel helemaal gelijk en hebben wij dat nog niet gezien? God kan het repareren en weer troosten. Het woord voor zwijgen is het Hebreeuwse woord damamדמם . Dit woord betekent ook stil staan, even niet bewegen dus. De letters van dit woord zijn een daleth ד en twee keer een mem מ ם . Bijzonder toch: daleth betekent deur en mem heeft alles te maken met wachttijd. Wacht je dus twee keer voordat je in woede de deur uit stampt om verhaal te gaan halen :-). Dat deed David hier ook.
Vers 6.
זבחו זבחי-צדק ובטחו אל-יהוה
zibhchu zibhchej tsedeq ubhitchu el JHWH
Breng offers van gerechtigheid en vertrouw op de Aanwezige
Zabach זבח is het Hebreeuwse woord voor offeren. De zajin ז staat voor discipline, de beth ב betekent huis en de cheth ח is de omheining, maar ook de verinnerlijking. Het is een heel werk om dagelijks offers te brengen aan God, daarom moet het volk onder Zijn discipline staan, om het vol te houden steeds weer naar Zijn huis te komen. Op den duur wordt die discipline verinnerlijkt, kost het geen moeite meer uit liefde voor Hem. We zien dit proces onmiskenbaar in werking in Davids leven. We kunnen het woordje ‘en,’ welke vertegenwoordigd wordt door de waw ו in dit vers, ook invullen als het woordje ‘opdat’ of ‘zodat.’ We kunnen dit vers dan ook op de volgende manier lezen: Breng offers van gerechtigheid opdat/zodat u op de Aanwezige vertrouwt. Leren te vertrouwen op Hem doen we ook Hem offers te brengen, dan groeit de relatie met Hem, Die de betrouwbaarheid Zelve is.
Het woord tsedeq צדק betekent gerechtigheid, rechtvaardigheid en komt van het werkwoord tsádaq צדק rechtvaardig, rechtschapen zijn, in zijn recht staan. Het offeren van gerechtigheid heeft alles met de hartsgesteldheid te maken. God zegt in Amos 5:21-27 tegen het volk: ‘Ik haat jullie feesten, het geklank van jullie luiten.’ Dat heeft een diepere lading omdat Hij deze feesten zelf ingesteld heeft. Wat Hij haat is het feit dat ze hun hart er niet bij halen en afgoden dienen. Er is geen gerechtigheid met hun offers…
Batach is vertrouwen hebben. Vertrouw op Hem, zegt David hier en hij spreekt uit ervaring. Bethב is huis, teth ט is baarmoeder, aardschoot en staat voor duisternis, maar ook vruchtbaarheid; cheth ח is omheining, verinnerlijking. David zegt verscheidene keren in de Psalmen: ‘U bent mijn hoog Vertrek.’ God is Davids huis, zijn Bescherming tegen de duisternis; zijn Omheining. David weet zich vaak zo beschermd alsof hij in een baarmoeder zou zijn, ook al verbergt hij zich weleens ergens in een spelonk bij Ein Gedi. Het vertrouwen verinnerlijkt zich meer en meer in zijn leven, dat kunnen we aan het verloop van zijn Psalmen goed merken, prachtig! Batach בטח heeft woordverband met het woord voor buik, schoot: beten בטן . Onderbuikgevoelens zeggen ons vaak of een situatie te vertrouwen is of niet.
Vers 7.
רבים אמרים מי-יראנו טוב נסה-עלינו אור פניך יהוה
Rabim omrim mi jar’énu tobh nesáh alénu or pánekha JHWH
Velen zeggen: wie zal ons het goede doen zien/meemaken? Verhef over ons licht van uw aangezicht, JHWH (Aanwezige).
David beantwoordt in dit vers een vraag met een nieuwe vraag, maar nu gericht aan God. Wie zal ons het goede doen zien? Geeft U ons licht!! U kunt ons door het licht van Uw Aangezicht verder leiden. Hij vraagt het niet alleen voor zichzelf en ook niet alleen voor diegenen die de vraag stelden, maar voor ons allemaal, hij stelt zich gelijk met iedereen, wat voor een koning opvallend nederig is. Hij erkent Wie de ware Koning is. Het woord voor zien, meemaken is het woord ra’ahראה . Een ra’ah is ook een roofvogel, die het moet hebben van zijn scherpe zicht om zijn prooi te vangen. Ra’ah heeft woordverband met het woord or אור, licht. Licht en zicht hebben alles met elkaar te maken, ook in het Nederlands. Wie kent er niet de uitdrukking: ‘elkaar het licht in de ogen niet gunnen?’ Licht krijgen in een situatie betekent ook: weten wat je moet doen. Dat wordt hier ook bedoeld: Gods Woord is een licht op ons pad, daardoor weten we hoe we ons leven kunnen inrichten.
Vers 8.
נתתה שמחה בלבי מעת דגנם ותירושם רבו
Nátanáh simcháh bhlibi mé`eth degánám wetiroshám rábu
U hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan graan en most/druivensap van velen
Simchah שמחה is het woord voor blijdschap, vreugde, vrolijkheid. Het komt van het werkwoord samach שמח, blij zijn, zich verheugen. De sin ש betekent tand en heeft te maken met het vermalen van het verleden; de mem מ staat voor wachttijd en de cheth ח voor omheining, verinnerlijking, zoals we al eerder zagen. Wanneer nare dingen uit het verleden vermaald, verwerkt zijn- en daar is een wachttijd voor nodig, dat gaat niet zomaar vanzelf- dan kan de blijdschap van God zich in David gaan verinnerlijken, Hij is Davids Omheining en daardoor is hij sterker om weerstand te bieden tegen bedreigingen. David is blijer met zijn God dan zelfs met de basisbehoefte van de mens: voedsel.
Het woord voor graan/koren is het woord deganam דגנם, wat komt van het werkwoord dagah דגה, groeien, talrijk worden. Het is niet verwonderlijk dat Jehoshua later in de geschiedenis de gelijkenis van juist de graankorrel aanhaalt en het zelfs heeft over honderdvoudig vruchtdragen: een graankorrel kan zich talrijk vermenigvuldigen als hij in de grond gestopt wordt. Een prachtige tekst over het graan is uit Hosea 2:20 en 21 waarin een opsomming van verhoringen: “En het zal te dien dage geschieden dat Ik verhoren zal, spreekt de Aanwezige; Ik zal de hemel verhoren en die zal de aarde verhoren en de aarde zal het graan verhoren mitsgaders de most en de olie en die zullen Jisrael verhoren.”
Vers 9.
בשלום יחדו אשכבה ואישן כי-אתה יהוה לבדד לבטח תושיבני
Beshalom jachdáv ‘eshkebháh we’ishán ki ‘atáh JHWH lebhádád lábhetach toshibheni
In vrede zal ik met Hem neerliggen en ik zal inslapen want Gij alleen, Aanwezige (JHWH), doet mij zeker wonen
Wat een prachtig besluit van dit avondlied, David is gesterkt door zijn God en durft te gaan slapen, totale overgave, want hij is zeker van de bescherming van zijn God. Dat is vertrouwen, David leeft zijn vertrouwen op God in alle eenvoud uit. Mooi is dat David samen met Hem, met zijn God neerligt. De vertalingen zeggen dit niet, maar het staat er wel: jachdav יחדו . Jachad יחד betekent samen; de waw ו aan het eind van dit woord verwijst naar Hem.
Liggen, neerliggen is het woord shákhabh שכב , wat woordverband heeft met shakhach שכח vergeten. David gaat liggen en vergeet de beschimpingen aan zijn adres, goed idee!
Slapen is het Hebreeuwse woord jashan ישן . Dit heeft woordverband met jasha‘ ישע , wat betekent redden, helpen. David gaat rustig slapen omdat God zijn Redder is, Die sluimert noch slaapt. Jashabh is het woord voor wonen, zitten. Ook dit woord heeft verband met jasha‘, David kan gerust wonen in de reddende Aanwezigheid van zijn God, zijn Mashiach משיח . Hiermee besluit deze prachtige Psalm.