Samson Hirsch (1808- 1888) was een uitzonderlijk begaafde Joodse Hebraïcus en schriftgeleerde. Eind vorige eeuw verscheen in Jeruzalem een fraai uitgegeven boekwerk met daarin alle Hebreeuwse Bijbelwoorden die door Hirsch in etymologische samenhang zijn gezet: ‘Etymological Dictionary of Biblical Hebrew’. Etymologie is dat deelgebied van de taalkunde dat de herkomst van woorden bestudeert.
De auteur, Matitjahu Clark, omschrijft in zijn inleiding Samson Hirsch als degene die de Joods orthodoxe gemeenten in Duitsland weerbaar wilde maken tegenover de sterk opdringende liberale reformbeweging, die zich liet voeden door het rationalisme van de zogenaamde Verlichting. Voor deze vrijzinnige hervormers was de Hebreeuwse Bijbel een gewoon boek geworden en in verband hiermee werd ook de oeroude opvatting over het Hebreeuws als heilige taal volledig losgelaten, afgedaan als een vrome legende.
Hirsch daarentegen houdt vast aan de eeuwenoude traditie en gaat er zonder omwegen vanuit dat het Hebreeuws ‘God’s language/Gods taal’ is. In de loop der eeuwen hebben rabbijnse taaltheologen tal van Hebreeuwse taaleigenaardigheden opgemerkt en de unieke waarde ervan erkend, zoals het typische gegeven dat alle 22 letters dragers zijn van een naam en tegelijk een getalswaarde vertegenwoordigen: Aleph, de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet betekent ‘koploper’, ‘voortrekker’ of ‘eersteling’ en is tegelijk het getal één (zie verder het cursusboek Hebreeuws in Zes Dagen). Ook typisch is het vierkante letterschrift met als ‘bouwstenen’ de drie GodsNaamletters: Jod י, Waw ו en He’ ה.
Hirsch erkent en waardeert dit alles min of meer, maar hij benadrukt vooral de unieke Hebreeuwse taalstructuur. Tegenover het wetenschappelijk rationalisme dat met het verwerpen van de Bijbel als Goddelijk Geschrift, ook het unieke van de Hebreeuwse taal wegredeneert, accentueert hij juist het uitzonderlijke karakter van de Hebreeuwse woordenschat en van de onderlinge woordsamenhang zoals die in geen enkele andere taal voorkomt. Hebreeuws is als taal een integrale eenheid, waarbij woorden organisch met elkaar zijn verbonden, het is een taal met een geheel eigen interne structuur, die ‘dramatisch’ verschilt van alle andere talen. Geen andere taal heeft zoveel woordverbindingen als het Hebreeuws zoals bv tussen ‘mens’ en ‘aarde’: ‘adam’ אדם en ‘adamah’ אדמה (Gen.2:7).
Hirsch richt zich overigens meer op woordverbindingen die mede berusten op gelijke klanken. Hij gaat er vanuit dat letters die min of meer gelijk klinken, ook dichter bij elkaar staan in betekenis. Dat geldt met name voor de keelletters Aleph, Ajin, Cheth en He’, maar er is ook klankverwantschap bijvoorbeeld tussen Beth (b of bh) en Pe’ (p of ph) en tussen Kaph (k of kh) en Cheth (ch). Als deze min of meer gelijkluidende letters voorkomen in woorden waarbij twee van de drie stamletters dezelfde zijn, ligt hier volgens Hirsch betekenisverband. Zo bijvoorbeeld tussen ro’sh (Resh, Aleph, Shin: ‘hoofd’, ‘begin’) dat de kern vormt van het eerste Bijbelwoord ‘beréshít’ (in het begin) en ra`ash (Resh, Ajin, Shin) en rachash (Resh, Cheth, Shin) die beide duiden op ‘beweging’, de één meer lichamelijk de ander meer emotioneel. Deze twee verwante woorden voegen iets toe aan de betekenis van het eerste Bijbelwoord: ‘bereshít’ is dus meer dan enkel een tijdstip, een begin, het is een wervelend begin, de start van een Goddelijke Actie. Ook de letters z, c, s en ts zijn onderling verwisselbaar: zo zegt de Engelsman: dance, de Duitser: Tanzen en de Nederlander: dansen. De naam Izaak wordt in de Hebreeuwse tekst soms Yitschak en soms Yischak genoemd.
Deze ‘innerlijke taalsymmetrie,’ die volgens Hirsch samenhangt met het feit dat het Hebreeuws een Goddelijke schepping is, brengt hem tot zijn vaak herhaalde stelling dat men niet naar andere talen hoeft te kijken om de betekenis van de Hebreeuwse woorden te vinden: Hebreeuws is ‘zelfvoorzienend’ (self-contained). Hebreeuws kent als oertaal ook geen echte leenwoorden. Er zijn wel enkele woordstammen die met de kooplieden op reis gegaan zijn via Phoenicië naar Griekenland en die vandaar aangevuld of verbasterd weer teruggekomen zijn, maar deze woorden kan men toch altijd weer in hun grondvorm herkennen.
‘Eeuwige taal’
Mattitjahu Clark besluit zijn inleiding op Hirsch’s taalvisie als volgt: ‘Het Hebreeuws, dat oprijst uit de Bijbelcommentaren van Hirsch, is een zelfvoorzienende taal met zijn eigen vormen en structuren, onafhankelijk van de talen van andere Semitische volken uit die tijd. Het is de éne heilige taal van Gen.11:1 die door alle Joodse Bijbelverklaarders steeds vereenzelvigd is met de Hebreeuwse taal. Het is de taal die de Hebreeërs altijd gesproken hebben in Egypte, waardoor ze bestand waren tegen de assimilatie aan de Egyptische samenleving. Het is de taal waarin de Torah werd gegeven op de Sinai. Het is de ‘heilige taal – de eeuwige taal van het Joodse volk.