Shabhú`’oth; het WekenFeest is het slotfeest van Pesach. Na 50 dagen tellen vanaf de eerste ‘zondag’, daags na de shabat, in de week waarin Pesach werd gevierd (Pesach kon bijvoorbeeld op maandag vallen, zodat men pas na ‘zaterdag’ de 50 dagen ging tellen). Het WekenFeest is net als Pesach niet alleen betrokken op de lente van Israëls geschiedenis, maar ook op de actuele, hedendaagse lente: op de voltooiing van de graanoogst. Werd met Pesach de eerste graanschoof (omer) aangeboden aan de priester, met Shábhú`óth werden twee broden naar de Tempel gebracht als een beweegoffer, als een dankzegging voor de zegeningen van Israëls Gods (Lev. 23:17). Ook nu nog worden in Israël met Shábhú`óth vaak woonhuizen en synagogen versierd met graanproducten. Deze afsluiting van het grote voorjaarsfeest is tegelijk ook de voorloper van, of het preludium op, het grote najaars-dankfeest van Sukkoth, in de Zevende maand.
Sinaï-feest
Maar dit sluitstuk van Pesach is toch vooral het feest ter herinnering aan de Godsverschijning op de berg Sinaï, aan de unieke ontmoeting tussen God, de HERE, de Altijd Aanwezige en Zijn volk. Of sterker nog: de huwelijkssluiting tussen God en Zijn volk. Voor het eerst in de geschiedenis sluit God een verbond, een trouwverbond, met een heel volk. Voordien ging het steeds om een verbond met één enkele persoon: met Noach, met Abraham. Wel was hun nageslacht er in begrepen – ‘in u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden’ (Gen. 12:3) – maar het was toch een verbond met één enkeling. Nu, bij de Sinai, sluit God een verbond, een trouwverbond, voor altijd en eeuwig met een heel volk: heel Israël staat aan de voet van de Berg Gods rond het altaar, waarop plaatsvervangend bloed gesprengd is (Ex. 24:6). Mozes leest voor uit het boek van het verbond, niet alleen uit de kernTorah, de Tien Woorden, maar hij leest ook voor over allerlei aanwijzingen die daar mee samenhangen. Daarna antwoordt het volk: ‘al wat de HERE gesproken heeft zullen wij doen en daarnaar horen (in het Hebreeuws: na`âseh we nishma`). Meteen daarop, in een ontzagwekkend gebeuren, wordt het volk gedoopt: ouderen en jongeren, worden besprenkeld met het bloed van het plaatsvervangende offerdier (Ex. 24:7,8). Na afloop hiervan mag een afvaardiging van het volk -niet alleen Mozes, Aäron en zijn zonen, maar ook 70 oudsten, presbyters die het hele volk vertegenwoordigen – een eindweegs de berg op. En daar, zo staat er in Ex. 24: 9-11, ‘ zagen zij de God van Israël’ en ‘het was alsof onder Zijn voeten een plaveisel lag van lazuur, als de hemel zelf in klaarheid’. Een ongelooflijk indrukwekkend gebeuren. Het wordt nog indrukwekkender, want er staat: ‘zij aanschouwden God én zij aten en zij dronken’… Samen met God eten en drinken, net als Abraham indertijd, eten en drinken met de drie mannen, waaronder de HERE God Zelf. Daarna klimt Mozes alleen verder de Berg op voor het in ontvangst nemen van de geschreven huwelijksakte, de Heilige Ketubah, waarmee het trouwverbond tussen God en Zijn volk bevestigd wordt voor altijd en eeuwig.
Studienacht
Dit bijna ongelooflijke gebeuren als sluitstuk van de Uittocht wordt elk jaar opnieuw met ingetogen vreugde gevierd. Vooral na de ballingschap kreeg dit een extra accent. Wellicht dat in de begintijd van Israëls volksbestaan meer de nadruk lag op het oogstkarakter van Shábhú`óth, zoals eigenlijk ook in Lev. 23. In ieder geval is in het huidige Jodendom Shabhú`oth onlosmakelijk verbonden met het Sinai gebeuren en met het ontvangen van de huwelijksakte, de Torah. Het is een bijna wereldwijd gebruik om in de nacht voorafgaand aan Shábhú`oth de hele nacht door Torah te studeren. Een collega van mijn vader, Cohen Stuart vertelt in zijn lezenswaardige boek over ‘Joodse feesten en vasten’ over zijn persoonlijke ervaring met zo’ n studienacht: na zich zo intens ondergedompeld te hebben in Torahstudie, voelde hij zich een soort ‘high’, op een geestelijk hoog niveau.
En dus ontvankelijk voor de Heilige Geest.