De Mozaïsche Torah is bestemd voor alle volken; Israël is Gods startplaats
De Torah al aan Adam gegeven
Shawu`oth is het slotfeest van Israëls bevrijding uit de Egyptische verdrukking. Zeven weken na de Uittocht in de Paasnacht beleefde Israël het hoogtepunt uit hun volksgeschiedenis: de Neerdaling Gods op de berg Sinaj. Een ontzagwekkende gebeurtenis die zich toespitste in de Schriftwording van de Tien Woorden op de Twee Stenen Platen.
In de orthodox Joodse kring leeft heel sterk de neiging om hun identiteit uitsluitend te laten bepalen door deze gebeurtenis: wij hebben de Torah ontvangen als een unieke Richtlijn voor ons leven en samenleven en dat onderscheidt ons van de overige volken voor wie andere Richtlijnen gelden: de Noachitische geboden. De Bijbel leert ons vanaf de eerste bladzijden iets anders: de Torah is al aan Adam gegeven; Israël heeft die opnieuw ontvangen om als een koninkrijk van priesters de Torah aan de volken voor te leven en voorlichting te geven: ‘Want’, zegt God op de berg Sinaj tegen Mozes: ‘de hele aarde behoort Mij’ (Exodus 19: 5, 6). Het gaat God om de bevrijding en heiliging van heel de volkerenwereld.
Kern van de Torah: alles min één
Al in het begin van de Bijbel komt de Torah ter sprake. Wat God tegen Adam zegt in Genesis 2 vers 16: ‘van alle bomen in de Hof mag U eten, behalve van één’ is in feite de hele Mozaïsche Torah in een notendop! In deze ene zin zijn alle Richtlijnen samengevat voor het ordenen van de tijd en van het aardse bezit, zoals die later uitvoerig in de Mozaïsche Torah zijn uitgewerkt. Vrijwel de hele Torah zit verpakt in dit ene zinnetje ‘alles min één’. God zegt tegen Adam en daarin tegen de hele mensheid: alles op Mijn aarde is voor jullie, alles min één. Dat is de grondregel die voor het hele leven en samenleven geldt: alle dagen zijn voor jullie om te werken min één: de Shabbat; alle opbrengsten van de aarde en van het vee zijn voor jullie min één: de eerstelingen en de eerstgeborenen. En alle overige inkomsten zijn voor jullie min één: min één tiende! Door telkens dit ene deeltje af te zonderen voor God, voor Zijn eredienst houden wij het besef levend dat God van alles de Gulle Gever is!
Adam gaf Torah onderwijs aan zijn kinderen
Uit het begin van de Bijbel is ook duidelijk af te lezen dat Adam in principe de Torah al kende. Hij zal uiteraard op de hoogte geweest zijn van het gebod om de zevende dag te heiligen, het kerngebod van de tijdsordening (zie het begin van Genesis 2), maar hij moet ook geweten hebben van de typische Torahrichtlijnen voor het ordenen van het aardse bezit: het geven van de tienden, van de eerstelingen en de eerstgeborenen. Immers, in het vervolg staat hoe Adam’s zoon Abel een dankoffer bracht van de eerstelingen van zijn schapen (Genesis 4:2-5). Hoe kon Abel dat weten? Adam moet wel Torah onderwijs gegeven hebben aan zijn kinderen.
Antisemitisme is anti-torahisme
Abel was blijkbaar gevoelig, gehoor gevoelig voor de lessen van zijn vader. Kaïn daar en tegen stoorde zich er niet aan: hij deed wat hem zelf goed leek. De wrevel van de eigenwillige, wetteloze Kaïn tegenover zijn vrome broer, is wellicht te zien als het begin van het antisemitisme, dat in wezen anti-torahisme is, verzet, rebellie tegen Gods ordeningen. Omdat God Zelf onbereikbaar en onaantastbaar is voor de rebelse mens, wordt de haat gericht tegen Zijn volk dat tot op de dag van vandaag Torahgetrouw wil leven en samenleven.
De Torah niet ‘boems’ opleggen
Uit de geschiedenis van Israël is ook gebleken dat het een langdurig proces is voordat een hele volksgemeenschap de Torah in het hart sluit, of beter: in het hart geschreven krijgt (Jerem.31:33, Hebreeën 8:10; 10:16). Pas na een ingrijpend gericht over hun voortdurend zwichten voor de aantrekkelijke heidense levensstijl; pas na de ballingschap kreeg de Torah overwicht op heel het leven en samenleven van het Joodse volk. Dat geldt temeer voor ons als heidenen. Daarom schrijven de apostelen, op het Jeruzalemse convent aan de voorgangers van de Christelijke gemeente uit de volken, dat ze niet zomaar ‘boems’ ineens de hele Torah opleggen aan de jonge Christenen, maar dat ze pedagogisch te werk moeten gaan: laat ze eerst beginnen zich te houden aan een paar algemene richtlijnen (richtlijnen die enigszins overeenkomen met de zogenaamde Noachitische geboden). Vervolgens (en dan volgt er een gedachtesprongetje in de tekst *) zouden ze hen moeten adviseren om zich te laten onderwijzen in de Torah door het Joodse volk. Dat laatste zou voor de meeste Christenen van toen praktisch gezien geen enkel probleem zijn: immers wekelijks werd op de Shabbat in elke stad in heel het toenmalige Romeinse wereldrijk (vanaf de grens met Schotland tot aan de Afghaans-Pakistaanse grens, en tot diep in Afrika) de Torah voorgelezen: ‘immers Mozes heeft in iedere stad voorgangers die hem uitleggen, daar hij (d.w.z. : de Torah) in iedere stad wordt voorgelezen’ , (Handelingen 15:21). De heidenen krijgen het niet aangewaaid, ze moeten leren ‘horen’! Net als Israël: hoor Israël! De Geest werkt altijd samen met het Woord: alleen als we horen, als we de Hebreeuwse Bijbel bestuderen, als we naar goede Joodse uitleggers luisteren, kan de Geest de unieke Richtlijnen voor het ordenen van onze tijd en van ons aardse bezit schrijven in onze harten (Hebreeën 8:10; 10:16).
Helaas heeft het jonge Christendom aan deze apostolische wijze door de Heilige Geest geïnspireerde raadgeving geen gehoor gegeven. In plaats van wekelijks het Joodse leerhuis in te gaan en ‘gehoor’-zaam te zijn in het spoor van Abel, volgde men het spoor van Kaïn en stoorde men zich niet aan de Torah. Het zou een uniek hoogtepunt in de kerkgeschiedenis zijn als het oude, nu meer dan volwassen geworden Christendom eindelijk alsnog massaal aan het wijze apostolische, Geestelijke advies uit Handelingen 15: 21 gehoor zou geven!
Dan zou de Kerk pas echt een Pinksterkerk worden!
* Het is meer dan een gedachtesprongetje. De stelling is aannemelijk dat de leemte in de tekst van Hand. 15:20-21 in feite een bewust opzettelijke tekstbeschadiging is. Bewust aangebracht omdat de inhoud van het apostolisch Geestelijk advies om bij de Joden in de leer te gaan, de Grieks gestempelde theologen niet welgevallig zou zijn. Het is een algemeen erkend wetenschappelijk gegeven dat de tekst van het OT veel betrouwbaarder aan ons is overgeleverd dan de NT-tekst die vanwege anti-Joodse sentimenten door de Grieks denkende overschrijvers is ‘bevingerd’. Niet alleen de tekst van het Onze Vader, (waarin het gebed om de Heilige Geest ontbreekt wellicht vanwege anti-geestdrijverij-sentimenten) is een voorbeeld van deze ‘bevingering’, maar dat geldt ook voor deze tekst uit Hand. 15: 20-21. Het is duidelijk dat hier een tussenzinnetje is overgeslagen: laat uw gemeenteleden op Torahles gaan bij de Joden; dat kan niet veel moeite kosten, immers zo’n gelegenheid is vlak in de buurt! Nu hangt het woordje immers zinloos in de lucht en gaat de originele bedoeling volledig de mist in. Bewuste tekstcorruptie dus.