Het sabbatsjaar, shmita: שמיטה, betekent letterlijk: laten vallen, loslaten, neerwerpen. Het wordt ook wel sheviit שביעית, zevende genoemd. Het is het zevende jaar van de cyclus die God heeft opgedragen in de Torah voor het land Israël; in dat jaar moet het volk de rust geven aan het land die God van tevoren heeft bepaald. We lezen hierover in het boek Leviticus, hoofdstuk 25. Om de zeven jaar moet dit gebeuren, uitlopende in het jubeljaar, na zeven jaarweken. Zeven keer zeven is negenenveertig: het jaar daarna, het vijftigste is het jubeljaar. Zover is het echter niet in 2014.
Gedurende het shmitajaar moet het land verworden en braak liggen. Alle agrarische handelingen zijn verboden. Water mag wel gegeven worden aan bomen die er al langer staan, net als het wieden en snoeien maar alleen als het preventief is. Het mag niet gebeuren om de boom sneller te laten groeien. Al het fruit wat hoe dan ook groeit is in feite ‘eigenaarloos’ en mag geplukt worden door iedereen voor eigen gebruik. Er mag geen geld mee verdiend worden.
In Deuteronomium 15:1-6 zegt Mozes: ‘Elke zeven jaar moet u algemene kwijtschelding verlenen. Dat houdt het volgende in: elke schuldeiser moet iedereen die iets van hem heeft geleend zijn schuld kwijtschelden; hij mag zijn volksgenoot, zijn broeder, niet tot afbetaling dwingen, want de kwijtschelding is afgekondigd in de naam van JHWH. Van een buitenlander mag u wel betaling vorderen, maar wat u van een volksgenoot te goed hebt moet u kwijtschelden. Overigens zal niemand van u in armoede leven, zozeer zal JHWH u zegenen in het land dat Hij u in bezit zal geven, tenminste als u Hem gehoorzaamt en de geboden die ik u vandaag voorhoud zorgvuldig naleeft; dan zal JHWH, uw God u zeker zegenen, zoals Hij beloofd heeft. U zult aan veel volkeren leningen verstrekken, maar zelf hoeft u niet te lenen. U zult over veel volken macht uitoefenen, maar zij niet over u.’ (NBV).
Echter, het liep anders want men hield zich niet aan dit gebod. In 2 Kronieken 36:20-21 volgt de straf: ‘De mensen die aan het zwaard ontkomen waren, werden als ballingen naar Babel meegevoerd, waar ze de koning en zijn nakomelingen als slaven dienden totdat het rijk in handen viel van Perzië. Zo ging in vervulling wat JHWH bij monde van Jeremia had voorzegd. Zeventig jaar bleef het land braak liggen en had het rust, totdat alle niet in acht genomen sabbatsjaren vergoed waren.’
Het is wonderlijk dat deze tekst in 2 Kronieken in het laatste hoofdstuk staat, het allerlaatste stukje van de Tenakh en dat dit hoofdstuk eindigt met de opdracht van God aan koning Kores, de koning van Babel, om de tempel te bouwen te Jeruzalem. Daarmee beveelt koning Kores aan alle nog levende Israëlieten in zijn land: “De Heere zij met hem, en hij trekke op!” De ballingschap eindigde in de bouw van het Godshuis waar de Israëlieten opnieuw zich mochten hechten aan Hem, het opnieuw mochten proberen met het land.
Wij heden ten dage hier in Israël hebben lege akkers om ons heen, die overigens over het algemeen wel goed verzorgd worden. Bij sommige akkers zien we wel wat onkruid opschieten, maar dat is goed, want de wortels hiervan brengen weer voeding voor het land met zich mee. Zo zorgt onze God voor Zijn land.