Het Sukothfeest/Loofhuttenfeest is in de eerste plaats een oogstfeest. Bij het grote voorjaarsfeest van Pesach- Shawu`oth gaat het om de vruchten die opkomen uit de aarde, om de graanoogst, om het koren voor het dagelijks brood. Bij Sukoth gaat het om de boomvruchten, die als het ware van bovenaf ons toevallen, en daarbij gaat het vooral om de vrucht van de wijnstok. Sukoth is vanouds het vreugdevolle wijnoogstfeest.
Tegelijk is Sukoth het feest dat de herinnering levend houdt aan de voltooiing van de Uittocht, aan het einde van de barre woestijntocht, en aan de Intocht in het Beloofde Land waar ze eindelijk in vrijheid mochten wonen, niet langer in schamele hutjes –in sukoth – maar in een normale behuizing, elk op eigen landgoed: ‘ieder onder eigen wijnstok en vijgenboom’.
Sukoth is niet alleen het feest ter herinnering aan het wonen in vrijheid in het Beloofde Land, maar het houdt ook de gedachtenis gaande aan de waarschuwing van Mozes en aan oproep van Jozua bij de Intocht in het Land om te kiezen voor een leven in gemeenschap met de God die hun verschenen was bij de Sinaj en te wandelen op Zijn wegen, de wegen van Zijn Torah.
Woordstudie over Sukoth
Het Hebreeuwse woord voor Loofhuttenfeest סוכות sukoth is het meervoud van סכה sukáh: hut. Een verkorte vorm is סך (sokh). Deze woorden hangen samen met het werkwoord סכך sákákh: beschermen, vlechten, bedekken. De eerste keer dat het woord voorkomt is in Genesis 33:17. Na de ontmoeting met Ezau en nog vóór het overtrekken van de Jordaan, bouwt (‘vlecht’) Jacob hutten (van twijgen e.a.) voor zijn schapen: Sukoth noemt hij deze laatste halte vóór het Beloofde Land. Als Israël is weggetrokken uit Egypte is de eerste halte op weg naar hun definitieve Tehuis ook een plaats met de naam Sukoth (Exodus 12:37). Maar eerst zal het Gods volk veertig jaar moeten huizen in dit soort schapenverblijven om te leren leven als schapen die Hij weidt (Psalm 95:7).
In Psalm 76:3 wordt Gods Woning in Jeruzalem ‘Zijn Hut’ (suko) genoemd: vergeleken met Zijn hemels Paleis is de Tempel op de Berg Tsion een ‘hutje’. Diepzinnig is het gebruik van het werkwoord סכך in Psalm 139 vers 13: ‘gij hebt mij in de schoot van mijn moeder geweven (of beter: ‘gevlochten’). Vers 15: ‘als een borduursel gewrocht’ (Statenvertaling). Dit kunstig ‘gevlochten’ lichaampje, deze sukah is bestemd om Gods tempel te zijn (1 Corinthiërs. 3:16; 6:19): Hij wil wonen in een ‘sukah’, in dit ‘schamele onderkomen’.
Woordstudie over Torah
Het woord Torah is afgeleid van ירה (járáh: werpen, met de vinger wijzen, aanwijzen, onderwijzen). Torah kan het best vertaald worden als: aanwijzing, onderwijzing, richtlijn. Maar ירה (járáh) kan ook betekenen: beregenen = water werpen. Een onderwijzer ‘beregent’ de leerlingen: alsof het plantjes zijn. Er worden woorden over hen uitgegoten. Leraren kunnen hun leerlingen niet zelf laten groeien, dat is een gebeuren van Hoger Hand, maar zij kunnen wel hen ‘beregenen’ met betekenisvolle, ‘groeizame’ woorden.
Een vraag: ziet U samenhang tussen ירה (járáh) en de woorden ירד (járád: afdalen), ירא (járá’: vrezen, respecteren) en תור (tór: rij, beurt)?