Een bewerkt schrijven van wijlen ds. R. Strijker
‘Er is onder ons een misverstand, zeer voor de hand liggend, maar wel een misverstand, dat iemand die gelovig is, zonder meer ook beter is, of beter af is, tenslotte in het eindoordeel, dan iemand die ongelovig is. Maar Jehoshua/Jezus heeft ooit tegen zeer orthodoxe, gelovige Joodse mensen gezegd: het zal de inwoners van Sodom en Gomorra verdraaglijker zijn in de dag van het eindoordeel dan U. Soortgelijk is het misverstand, dat iemand die geloviger is dan de medegelovigen – want dat kan: we zijn in het geloof niet allemaal gelijk, niet gelijktijdig: een kind is anders gelovig dan een volwassene en de ene volwassene kan dichter bij de kern staan, kan meer genaderd zijn tot het hart van God, dan zijn of haar medebroeders of zusters – maar zo iemand moet niet denken beter te zijn of beter af te zijn bij de slotbeschouwing van zijn of haar leven. Want hoe dichter bij God, hoe hoger we staan, hoe meer verantwoordelijkheid: wie veel gegeven is, van die zal veel geëist worden.
“Maar u bent genaderd tot de berg Sion en tot de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem en tot tienduizendtallen van engelen, tot een feestelijke vergadering en de gemeente van de eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten van de rechtvaardigen, die tot volmaaktheid zijn gekomen, en tot de Middelaar van het nieuwe verbond, Jezus, en tot het bloed van de besprenkeling, dat van betere dingen spreekt dan dat van Abel.” (Hebreeën 12:22-24, HSV)
Vanuit de Bijbel gezien is het duidelijk dat ons, als gemeente van Jehoshua, veel gegeven is, dat wij als Zijn lichaam op aarde op een zeer hoge post gezet zijn. Ongelooflijk hoog zelfs, zoals het hier staat in onze tekst: Gij zijt genaderd tot de berg Sion, tot de stad Gods, het hemelse Jeruzalem. Dat is nog al wat. En verderop wordt het nog verhevener: U bent gekomen tot de feestelijke vergadering van de eerstgeborenen, tot de geesten van de rechtvaardigen. Is dit niet al te hoog en al te geestelijk? Aan het slot van dit gedeelte krijgen we wel weer wat grond onder de voeten, als daar gezegd wordt: ziet dan toe dat gij Hem die spreekt niet afwijst – en laten we dankbaar zijn en God vereren met eerbied en ontzag. Dat is weer aardse, nuchtere taal. Maar dit – wat zijn dit voor hoge geestelijke werkelijkheden?
Voor we daar nader op in gaan, is het misschien goed om eerst vast te stellen dat de Bijbel, het Hebreeuwse denken, waarvan ook deze Hebreeënbrief doordrenkt is, niet die vreemde Griekse scheiding kent tussen het hemelse en het aardse, tussen het hogere, geestelijke en het lagere, het lichamelijke, waarbij het lagere ook het minderwaardige is en men dus steeds van het lagere omhoog moet streven naar het hogere, het hemelse.
Nee, de Bijbel denkt precies andersom. Er is wel verschil tussen hemel en aarde: in het begin schiep God de hemel én de aarde. De hemel vóórop, daar begon God mee en daar begint Hij nog steeds. De hemel is de startplaats van Zijn handelen hier op de aarde. Want God komt naar beneden. Dat is feite de kern van de Bijbelse boodschap: niet wij moeten omhoog streven naar het hemelse, van het lagere door goede werken of geestelijke inspanningen opstijgen naar het hogere. Nee, net andersom, het hogere daalt af naar ons toe, God Zelf komt naar beneden: Hij daalt af op de Sinaï en op de Sionberg, Hij daalt af in de kribbe van Bethlehem. God de Schepper treedt binnen in Zijn schepping, vereenzelvigt Zich met Zijn schepselen, verplaatst Zich in ons, in ons lijden, in onze schuld: ja, uiteindelijk treedt Hij zelfs binnen in ons graf en Hij staat op uit onze dood. Dat is de doorlopende Bijbelse boodschap: God komt naar U toe, de hemel komt naar beneden. Daar eindigt ook de Bijbel mee: het hemelse Jeruzalem, als een bruid versierd, daalt neer op de aarde; de tent van God is bij de mensen.
Als hemel en aarde één zijn en als in de Bijbel, in het Hebreeuwse denken, dat zich ook weerspiegelt in de Hebreeuwse taal, niét die vreemde Griekse scheiding bestaat tussen het hemelse en het aardse, dan is die scheiding er ook niet tussen het hemelse Jeruzalem en het aardse Jeruzalem. Dan zijn ook die twee één: historisch en geografisch innig met elkaar verbonden en ook dicht tegen elkaar aan liggend, al zien we dat niet zo met het blote oog. Volgens de Joodse overlevering is het hemelse Jeruzalem slechts ‘500’ (volgens een hemelse maat, waarvan wij de maat niet kennen) verwijderd van het aardse. Maar is God dan niet overal, op ‘bergen en in dalen’? Is het hemelse Jeruzalem niet veel en veel groter dan het aardse? Ja, zeker, maar zoals een begaafd Bijbelgeleerde ooit zei: God is nergens als Hij niet ergens is. Hij kiest altijd ergens een beginpunt, een uitgangspunt. Zo vervult Hij met Zijn heerlijkheid de hele Tempel, maar Zijn uitgangspunt is het Heilige der heiligen en daarin speciaal nog dat plekje boven het gouden verzoendeksel waarop het Bloed gesprenkeld is, daar is Zijn hart, Zijn uitgangspunt. Zo is Hij ook de God van alle volken, maar Israël is Zijn eersteling, Zijn uitgangspunt. En zo vervult Hij tenslotte de hele aarde met Zijn heerlijkheid, maar zijn startpunt is de berg Tsion, dat was zo en dat blijft zo: in het laatste der dagen, zegt de profeet, zal die berg uitrijzen boven alle bergen en alle volken zullen daar heen stromen om te horen naar de Stem van de levende God, naar Zijn unieke programma voor leven en samenleven.
Nee, het is zeker niet zo dat wij God alleen in Jeruzalem kunnen vinden. Het heil is wel uit de Joden, zegt Jezus tegen de Samaritaanse vrouw die Hem gevraagd had of ze dan altijd naar Jeruzalem moest om God te aanbidden: het heil is uit de Joden, daar in Jeruzalem ligt het startpunt. Maar er komt een tijd dat men van elk plekje op aarde heel snel naar Jeruzalem kan: in de geest, zegt Jehoshua/Jezus, in geest en waarheid. Daarvoor hoeft men niet persé lichamelijk naar Jeruzalem. Natuurlijk, het kan geen kwaad, het is zelfs zeer aan te bevelen, als iedere Christen uit elk volk minstens éénmaal in zijn of haar leven naar het aardse Tsion reist om ter plekke die uitzonderlijke berg te bezien. En ook die top van de berg, waar ooit in plaats van Yitschak/Isaäk het door God geschonken offerlam geslacht werd en waar later het altaar stond voor het dagelijks lamoffer in de Tempel en waar overheen nu een gouden koepel staat met die duidelijk anti-christelijk bedoelde tekst: ‘Allah heeft geen zoon’. (Allah heeft ook geen zoon, want hij is niet dezelfde als de God van de Bijbel.)
In ieder geval, het kan geen kwaad, integendeel, om dat eens gezien te hebben; en het is zeker ook aanbevelenswaardig om met de orthodoxe Joden eens te gaan staan bij de Westelijke Muur en daar het verdriet te ervaren over het verlies en de ontering van deze heilige Berg des HEREN in het centrum van onze wereld. Ook van onze moderne wereld; we kunnen er wel haast zeker van zijn dat in de nabije toekomst de politieke strijd in de wereld zich steeds meer gaat toespitsen op dit centrum, op deze Tsionsberg. Maar nog eens, we hoeven er niet persé zelf naar toe, want in de geest, in geest en waarheid, kunnen we op elk moment, vanaf elk plekje op aarde vliegensvlug ons verplaatsen naar deze berg in de Stad Gods, in het hemels Jeruzalem. Maar nu, na deze vaststelling dat Bijbels gezien de hemel en de aarde één zijn, dat het hemelse en het aardse Jeruzalem wezenlijk met elkaar verbonden zijn, weer terug naar onze tekst: Gij zijt genaderd tot de berg Tsion, tot de Stad Gods, het hemelse Jeruzalem en tot alles wat daar is aanwezig is. En dat is nog al wat: hier worden vijf hoge, geestelijke werkelijkheden genoemd. De engelen voorop: gij zijt genaderd tot de tienduizendtallen van engelen. Er was een tijd, eigenlijk al sinds de opkomst van het moderne, wetenschappelijke denken, dat men over engelen nogal sceptisch of minachtend sprak: iets uit de middeleeuwen, sprookjes. Maar tegenwoordig in onze postmoderne tijd, nu er geen taboe meer ligt op alles wat strijdig lijkt met ons ‘gezond’ verstand of met ons ‘puur’ wetenschappelijk onderzoek, nu er weer veel meer ruimte is voor het bovennatuurlijke, voor religie, zijn ook de engelen weer helemaal in. Er doen tegenwoordig weer allerlei verhalen de ronde over engelen-verschijningen; er verschijnen zelfs hele romanseries, bestsellers, waarin engelen een hoofdrol spelen. Nee, engelen staan niet meer zo ver van ons af.
Maar al dat andere wat hier genoemd wordt, is dat niet al te ver bij ons vandaan? U bent gekomen tot de plechtige en feestelijke vergadering van de eerstgeborenen, tot de geesten van de rechtvaardigen, ja tot God Zelf, de Rechter van ons leven en samenleven en tot Jehoshua/Jezus, wiens bloed krachtig spreekt. Dat laatste komt voor ons idee mogelijk het dichtstbij, hoewel het het meest verhevene is uit heel de Bijbel: het bloed van het Lam dat spreekt van de mateloze liefde van Adonai, Die zich met ons vereenzelvigd heeft tot in onze schuld en dood toe. Dit bloed spreekt krachtiger, staat er, dan het bloed van Abel, die vermoord werd door zijn broer Kaïn. Abels bloed spreekt van de ontzettende verwording van ons menselijke geslacht: het bloed van Abel staat voor al die onschuldige slachtoffers de eeuwen door tot in onze dagen toe, het bloed dat roept van de aarde, ook van de oude aarde van het land Israël, nog steeds, bijna week in week uit vloeit het bloed dat roept om vergelding, om een gericht, om een rechtzetting door de heilige God van Israël.
Maar het bloed van Jezus spreekt nog krachtiger, het spreekt van God, de rechtvaardige Rechter Die Zijn wraak, Zijn Heilige toorn niet richt op ons, maar op Zichzelf, op Zijn eigen Zoon. Gij zijt genaderd tot Jezus, Wiens bloed spreekt van een Rechter die Uw Redder is.
Inderdaad, deze hoogst geestelijke werkelijkheid, daar hebben we over geleerd en kunnen we, hoe wonderlijk het ook is, ons iets bij voorstellen. Maar al dat andere? Dat we genaderd zijn tot de plechtige en feestelijke vergadering der eerstgeborenen in het hemelse Jeruzalem en tot de ‘geesten der rechtvaardigen’. Wie zijn die eerstgeborenen en wie zij die geesten der rechtvaardigen, die, zoals het er staat ‘tot volheid’ zijn gekomen?
Wat dat laatste betreft, dit is wellicht in direct verband te zien met wat eerder in deze Brief geschreven is over een groot aantal rechtvaardigen, die gerechtvaardigd zijn door hun geloof. Want door het geloof, staat er in hfdst. 11, heeft Abel een Gode welgevalliger offer gebracht dan Kaïn; en door het geloof is Henoch weggenomen, zodat hij de dood niet zag; door het geloof heeft Noach de ark toebereid; door het geloof heeft Abraham zijn vaderland verlaten en is op weg gegaan naar het Land van Belofte, zonder precies te weten waar hij komen zou; door het geloof, door het geloof – het is een bijna eindeloze rij van rechtvaardigen; door het geloof heeft Mozes de smaad van Christus verkozen boven de schatten van Egypte, door het geloof is Rachab, de hoer, gered uit het gericht over Jericho. En verder, zegt de schrijver: de tijd zou mij ontbreken, als ik ging verhalen van Gideon, Barak, Simson, Jefta, David en Samuël en al de profeten, de profeten vanaf Elia. De geesten van al deze rechtvaardigen die door hun geloof tot levensvolheid zijn gekomen, zijn aanwezig op de berg Tsion, in het hemelse Jeruzalem.
En met hen nog vele anderen, want na deze lange rij van geloofsgetuigen is er nog een onafzienbare rij bijgekomen van martelaren uit de Christelijke gemeente en van andere geloofshelden uit een eeuwenlange geschiedenis, mannen en vrouwen en ook veel jongeren, die gestreden hebben en volhard hebben tot het einde. Martelaren en geloofshelden tot in onze tijd toe. We mogen denken aan de gelovige martelaren in de concentratiekampen van Auschwitz en Dachau en aan de geloofshelden van kort geleden in de martelgevangenissen van de communistische landen en de Moslimlanden. En aan nog vele andere geloofsgetuigen, familie van U misschien: ouders, levenspartners, kinderen. Een onafzienbare rij, een wolk van getuigen, zoals er staat in het begin van hoofdstuk 12, een wolk van geloofsgetuigen is op de berg Sion.
Deze alle zijn geesten die tot volheid zijn gekomen. Let wel ‘geesten’ – zij zijn nog niet tot hun lichamelijke gestalte gekomen, dat komt pas bij de opstanding van de doden, na het grote gericht. Maar ze zijn wel echt aanwezig als bewuste geestelijke wezens, zoals ook de engelen. En samen met al die tienduizendtallen van engelen zingen zij, zoals de apostel Johannes het hoorde op Patmos, de Lof van God, Die op de troon gezeten is en van het Lam.
Maar nu die eerstgeborenen, in vergadering bijéén, wie zijn dat dan? De Bijbel spreekt duidelijke taal over dé Eerstgeborene. In Col.1:15 spreekt Paulus over de Eerstgeborene van de ganse schepping, in wie alle dingen geschapen zijn, en dan doelt Hij op Jezus, Die tegelijk ook, zegt hij, de Eerstgeborene van de doden is. Zoals later Johannes ook zegt in Op.1:5: ‘Genade zij u van Jezus Christus, de getrouwe getuige, de eerstgeborene uit de doden.’ Maar hier is geen sprake van één eerstgeborene, maar van een vergadering van eerstgeborenen. Letterlijk staat er ‘ekklesia’ en dat betekent: een groep van uitverkorenen. We moeten het wellicht zo zien: onder de rechtvaardigen die in Hebreeën 11 genoemd worden, zijn enkele uitverkoren eerstelingen, die gerekend kunnen worden als eerstgeborenen uit de doden, door de kracht van Christus’ opstanding die ook zijn stralen al vooruit wierp. Er staat van Henoch dat hij de dood niet heeft gezien, dat hij dus rechtstreeks in de hemelse stad is opgenomen. En ook van de profeet Elia weten we dat hij de dood niet heeft gezien: met een vurige wagen is hij ten hemel gevaren. Van Mozes wordt wel gezegd dat hij gestorven is, maar zoals er letterlijk staat: gestorven ‘aan de mond van God’. God heeft hem a.h.w. rechtstreeks naar Zich toe gekust en daarom ook heeft niemand ooit zijn graf gevonden.
Hoe dan ook, in ieder geval staat er in de Bijbel, dat Jezus korte tijd voor Zijn dood met Mozes gesproken heeft op de berg, samen met Elia. Eigenlijk waren ze daar ook in een soort vergadering bijeen. Samen met Jezus spraken ze toen, zegt Lukas, over Zijn uitgang te Jeruzalem: d.w.z. over Zijn sterven en Zijn opstanding in Jeruzalem, in de heilige stad.
En merkwaardig is wat we lazen in Matt. 27 toen Jezus stierf: direct nadat Hij gestorven was, nog voor Zijn opstanding, gingen in Jeruzalem de graven open en vele lichamen – niet geesten, maar vele lichamen – werden opgewekt en verschenen daarna in de heilige stad. Een hele merkwaardige tekst, die meen ik in direct verband te zien is met dit woord uit Hebreeën 12: U bent genaderd tot de vergadering van de eerstgeborenen, tot die uitverkoren groep van eerstelingen, voortrekkers in de opstanding der doden, die voortdurend in een feestelijke viering, in een nieuwe lichamelijkheid, met hart en mond en hand deelnemen aan de lofprijzing van Hem die op de troon gezeten is en van het Lam.
U bent genaderd tot de berg Sion. En wie is deze U? Is dat niet de Christelijke gemeente van alle tijden, de geroepenen uit de volken, die vrijgekocht zijn door het Bloed van het Lam. Dat bent ook U.
En dat wordt vandaag de dag met grote nadruk tegen ons gezegd, tegen de achtergrond van het gebeuren in de woestijn, eeuwen tevoren, toen God in storm en vuur neerdaalde op de berg Sinai en vandaar Zijn volk toesprak, direct, onmiddellijk, zonder een tussenpersoon. Het volk beneden aan de berg hoorde en zag (!) met eigen oren de levende Stem van God. Maar dit geluid was zo aangrijpend, zo indringend, dat ze het niet konden verdragen, of …niet wilden verdragen. En daarom zeiden ze tegen Mozes: alstublieft, laat dat ophouden, laat God niet langer spreken, niet direct. Luistert U maar voor ons en vertelt U ons dan maar wat U gehoord hebt. Weest U onze tussenpersoon. Want Gods Stem direct, dat is zo ingrijpend, dat kunnen we niet aan, dat willen we niet áánhoren. Ze wilden niet of nog niet in een volwassen, hooggeestelijke relatie staan met hun God.
En zo hebben ze dus, zegt de Hebreeënbrief, eigenlijk op dat beslissende ogenblik uit angst God afgewezen. Met alle gevolgen van dien. Want toen ze besloten hadden om Mozes als tussenpersoon in te schakelen, om kinderlijk afhankelijk te blijven van een geestelijke vaderfiguur en als volk niet meer direct met de HERE God in verbinding te staan, maar halverwege te blijven, er tussenin, toen werden ze kwetsbaar voor de verzoekingen van de satan, voor heidense tussenwezens, voor de afgoderij. Toen Mozes even weg was, nam het volk meteen een andere tussenfiguur, en zo kwamen ze tot de aanbidding van het gouden kalf en later in Kanaän tot de verering van de baäls. Als ze maar even geen directe verbindingspersoon hadden met God Zelf, als er geen richter of profeet was, geen vaderfiguur, dan ging het weer mis, dan vervielen ze weer tot afgoderij,
Daarom zie toe, zegt de Hebreeën brief, dat gij Hem, Die spreekt, niet afwijst (vers 25). Want het is voor U nog veel gevaarlijker, dan voor hen, het volk Israël. Immers U bent nog dichter genaderd tot de kern, U bent niet zoals zij genaderd tot een zichtbare berg in de woestijn, maar U bent door het geloof in Jehoshua/Jezus gekomen tot de onzichtbare werkelijkheid van de berg Tsion, tot de heilige woning van God Zelf. En U mag daar zo naar binnen. Dat is uw hoge positie en die moet U dan ook innemen. Want, zegt de Hebreeënbrief in hfst. 10 vers 19: ‘Daar wij dan volle vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het hemelse heiligdom, laten wij dat dan ook doen, laten wij dan toetreden, in de volle verzekerdheid van ons geloof.’
Gij zijt genaderd - nu! De apostel Paulus zegt tegen de gemeente van Efeze: ’U bent nu al in de hemel gezet.’ En zijn brief aan de Filippenzen: Uw burgerschap, uw domicilie is in de hemel. Zo dicht bij! U staat nu in direct contact met God Zelf, U hoort nu in Zijn Woord direct de Stem van de levende God, door Zijn Heilige Geest.
Gij zijt genaderd tot. Let wel: tot. Er staat niet dat wij ín de vergadering zijn, in de vergadering der eerstgeboren, ook niet dat wij in een geestelijk gesprek kunnen raken met de geesten der rechtvaardigen. Wij zijn genaderd tot, zoals de drie discipelen op de berg der verheerlijking genaderd waren tot de vergadering van Mozes en Elia met Jezus. Petrus, Jacobus en Johannes waren niet in dit hemelse gesprek betrokken. Zoals later bleek, stonden ze daar zelfs volledig buiten, ze hadden niks begrepen van het spreken over de uitgang te Jeruzalem, over het lijden en sterven van Jezus. Ze hadden geen directe toegang tot de vergadering, maar ze hoorden wel de directe Stem: deze is Mijn Zoon, mijn geliefde, hoort naar Hem!
En die Stem spreekt ons nog steeds aan. Vandaar die dringende waarschuwing: zie dan toe dat gij Hem Die spreekt, niet afwijst. Dat we niet net als de Israëlieten destijds toch weer onze toevlucht nemen tot een tussenwezen, tot een vaderlijke figuur: laat die maar in direct contact staan met God, maar ik niet, of nog niet. Laten de voorgangers in de kerk, de ouderlingen, de dominees maar van dag tot dag het hemelse heiligdom binnengaan, intens luisteren naar de Stem van God in de Heilige Schriften en naar de zachte, stille Stem van de Heilige Geest in het hart. Laten zij maar horen en ons doorgeven wat God vandaag wil met ons leven en samen-leven. Maar ik niet of nog niet!
De Stem afwijzen is uitzonderlijk gevaarlijk! Dat maakt ons kwetsbaar voor allerlei vormen van moderne afgoderij, voor het gouden kalf van onze welvaart en voor de moderne baäls, van de smartphones en onze tv-cultuur. Als we niet direct de Stem van God willen horen en de Geest niet direct willen laten spreken tot in ons hart, dan maken we ruimte in ons hart voor de tegenstem, de verleidelijke fluisterstem van de verzoeker die in ons gaat redeneren, die twijfel zaait over de betrouwbaarheid van de Bijbel als Gods Woord: Is het niet een gewoon menselijk boek? Of: de één legt het zus uit en de andere zo en staan er ook niet allerlei tegenstrijdigheden?
Wie niet in direct contact staat met God Zelf, met Zijn Woord, met Zijn Geest – wie daar halverwege, tussenin blijft staan, die stelt zich bloot aan de zuigkracht van satanische tussenwezens, die redt het niet, die gaat waarschijnlijk onderuit in de strijd der geesten die allang gaande is maar die in onze postmoderne, religieuze tijd wellicht nog wel veel zwaarder wordt. Die houdt het niet vol om te blijven geloven in al die Bijbelse beloften, dat in Abraham alle geslachten der aarde gezegend zullen worden, dat vanuit de berg Tsion Gods Woord zal uitgaan zodat er vrede komt op aarde voor alle volken, ja dat uiteindelijk de hemel volledig naar beneden komt, een nieuw Jeruzalem, als een bruid versierd, waar God alles in allen zal zijn.
We redden het niet in de komende strijd der geesten, als we niet geestelijk volwassen zijn, in direct hooggeestelijk contact met God Zelf, met Zijn Woord, met Zijn Geest.
Daarom ziet toe, dat we die Stem van God niet afwijzen. Ook daarom niet, zegt de Hebreeënbrief tenslotte, omdat onze God een verterend vuur is, Hij is ongelooflijk barmhartig, vol van gloeiende Liefde, maar diezelfde gloed kan ons ook verteren, als we Hem afwijzen, als we onze positie, onze allerhoogste positie niet innemen. Als wij, die in de hemel gezet zijn; die toegang hebben tot het hemels heiligdom – die niet daadwerkelijk binnengaan, dan is het oude Israël van de Sinaïwoestijn beter af dan wij.
Want het is inderdaad een groot misverstand te denken, dat wij als gelovigen, die zo dicht genaderd zijn tot de kern, tot het hart van God, beter, of beter af zijn. Nee, hoe dichter bij God, hoe hoger onze positie, hoe meer verantwoordelijkheid. Want wie veel gegeven is, van die zal veel geëist worden’.