De tekst ‘Vierluik over feestelijke vieringen’ is vooraf aan een aantal studieleden en woordstudenten toegestuurd. Daar kwamen een aantal vragen van terug die in een viertal zijn gebundeld.
Vraag 1: Krenten uit de pap
“Wat is er mis mee als ik nu door de Hebreeuwse Bijbelstudie de geestelijke betekenis van de Bijbelse feesten leer ontdekken en daardoor zoals U dat noemt ‘doorkijkjes krijg’ op het Evangelie van het Nieuwe Testament? En wat is er fout aan als ik zeg dat mij dat ook voldoende is? Meer hoef ik niet”.
Op zich is er niks mis mee als we onze kennis van het Nieuwe Testament laten verrijken door de Joodse/Hebreeuwse symbolen in het OT en met name door de symbolische betekenissen van de Bijbelse feesten. Als het daarbij echter blijft – zo staat het ook ongeveer in de Vierluiktekst – dan is er in feite niks veranderd sinds keizer Constantijn en de Middeleeuwen. Daar kan men ook Calvijn nog aan toevoegen, want Calvijn bekeek het OT ook net als de meeste kerkvaders en katholieke theologen puur symbolisch-geestelijk. Volgens Calvijn kreeg het Joodse volk het Evangelie (hetzelfde Evangelie als in het NT!) bemiddeld via de aardse symbolen van de Uittocht uit de slavernij en de Intocht in het Beloofde land etc. Het nieuwe van het nieuwe verbond, aldus Calvijn, zit niet in de inhoud – ook in het OT leefde Israël van genade en nergens anders van – maar het verschil zit in de ‘bediening’: toen werd het Evangelie bediend door de tempelpriesters die symbolische lamoffers brachten voor het volk, nu wordt het Evangelie bediend door Woord en Sacrament. Wel is alles, door de komst van Jezus veel helderder geworden volgens Calvijn: het is nu voor iedereen duidelijk dat het niet gaat om een aards koninkrijk met het aardse Jeruzalem in het centrum, maar om een geestelijk Koninkrijk dat weliswaar hier op aarde enigszins begint maar dat uitloopt op de eeuwige, hemelse zaligheid.
Gelukkig is Calvijn op dit punt al jaren geleden gecorrigeerd o.a. door de hervormde theoloog prof. dr. K.H. Miskotte. Al vóór 1948 (stichting van de Staat Israël) en 1967 (teruggave in 1967 van Oost Jeruzalem met de berg Tsion en het mliggende land van Judea en Samaria) sprak deze grootmeester in de Bijbelse theologie over het Tegoed van het Oude Testament. Daarmee bedoelde Miskotte: er staat voor het Joodse volk en voor ons als volkerenwereld niet alleen een geestelijke maar ook nog een aardse toekomst te wachten. Helaas zijn veel Christenen tot dusver blijven hangen in Calvijn’s symbolische (= Griekse, heidenschristelijke) visie dat het in heel de Bijbel om de hemel gaat en niet om ‘een hemel op aarde’ zoals Jesaja en Micha hebben geprofeteerd (Micha 4:1-4, Jesaja 2:1-4). De visie van Israëls profeten is ondubbelzinnig duidelijk: in de eindtijd – als Israël weer verzameld is uit de volken en weer op zijn post gezet is en zij als volk, vervuld met de Heilige Geest (Joel 2: 28-32) hun roeping aanvaarden – dan zullen alle volken optrekken naar Tsion en onderwijs krijgen uit de Torah! Uit dit unieke, Mozaïsche pakket van praktische Leefregels die gericht zijn op het herordenen van déze aardse chaotisch geworden wereldsamenleving. Hoe herordenen? Met name door onder leiding van de Heilige Geest ons radicaal af te keren van het heidense collectieve ritueel en eindelijk na 2000 jaar van verdringing de Bijbelse tijdsorde in te voeren (Shabbat, Pesach, Shawu`oth en Sukoth) en vooral ook de Bijbelse ordening voor het aardse bezit (afstaan van de tienden en de eerstelingen, periodieke kwijtschelding van schulden en herverdeling van het aardse bezit). Radicale Goddelijke Leefregels die recht doen aan de miljoenen armen in onze wereld, aan hen die zich hebben laten ophopen en opsluiten in de krottenwijken van de Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse miljoenensteden, waar ze leven in uitzichtloze ellende. Het woord ‘ellende’ betekent letterlijk el = ex = uit het land zijn, niet meer wonen onder eigen wijnstok en vijgenboom (Micha 4:4).
Als we dat Tegoed van het OT blijven afwijzen, als we die aardse beloften die nog lang niet vervuld zijn en die ook de basis vormen van de Bijbelse feesten, blijven vergeestelijken tot symbolische verwijzingen naar een hemelse toekomst, dan halen we zogezegd de krenten uit de pap en laten het Hebreeuws-Bijbelse, voedzame volkoren voedsel liggen ‘als parels voor de zwijnen’. Anders gezegd: dan zijn we bezig om het Evangelie van het Koninkrijk Gods te verminken, te versmallen, te verheidensen. In feite creëren we dan ook een andere Messias, een Griekse, heidens-Christelijke ‘Jezus’ en laten we de Israëls Messias daadwerkelijk in de steek: ‘Ik heb honger geleden en U (als volkerenwereld) hebt Mij (Mijn volk) niet te eten gegeven’ (Matth. 25: 35.
Dat niet alleen, want als we alleen de krenten uit de pap halen en eenzijdig op z’n Grieks het OT blijven lezen, dan scharen we ons in feite onbedoeld en ongewild in de rij van de moderne vrijzinnige verhaaltheologen: ‘het gaat er niet om of het écht gebeurd is, het gaat om de betekenis, om de symboliek’. Deze vergriekste wijze van theologiseren legt ook de basis voor het ontkennen van de Joodse identiteit en voor een nieuwe ‘kruisiging’ van het Joodse volk ‘dat in zijn verharding en verblinding nog steeds vasthoudt aan de letterlijke historische betekenis van de landbelofte en van de profetieën van Jesaja en Micha over vrede en welzijn vanuit Tsion voor alle volken. Wij Grieks-wetenschappelijk gevormde Westerlingen weten intussen dat al die mooie woorden geestelijk, symbolisch zijn bedoeld.
Vraag 2: En Paulus dan?
“Schrijft de apostel Paulus in zijn brieven niet dat die OudTestamentische feesten, ja dat zelfs de Shabbat er niet meer toe doet?”
Nee, dat zegt hij niet! Paulus keert zich in de Galatenbrief (4:10) en ook in zijn brief aan de Romeinen (15:4) en de Colossenzen (2:16) tegen de fanatieke Joodse christenen die met geestelijk geweld aan de heidenchristenen meteen de totale Torah wilden opleggen. Volgens hen zouden de gelovigen uit de heidenvolken alleen behouden kunnen worden als ze zich strikt gingen houden aan de Joodse wetten voor de tijdsordening en de besnijdenis etc. Paulus was daar woedend over en benadrukte dat de enige weg tot behoud is: het gelovig accepteren van Gods genade! Sola gratia! Niks, ook geen Shabbat en geen feesten kunnen daar iets aan toevoegen. Op het Apostelconvent in Jeruzalem (Hand.15) waar ook Paulus bij was, hebben alle apostelen unaniem ingestemd met het voorstel van Jacobus om aan de heidenchristenen niks op te leggen – helemaal niks specifieks uit de Torah: niks over de Bijbelse feesten etcetera – behalve een paar regels waardoor men zich kon afzonderen van de heidense lustcultuur. Maar de apostelen met Paulus erbij hebben daar wel aan toegevoegd (wat we vaak over het hoofd lezen, omdat de oorspronkelijke tekst een beetje ingekort is, wellicht met opzet door Grieks gestempelde, anti-judaïstische manuscriptenschrijvers): stuur de heidenchristenen maar naar de Joodse synagogen, die door het hele Romeinse rijk te vinden zijn, want op elke Shabbat wordt Mozes (= de aards gerichte Mozaïsche Torah met zijn unieke radicale Richtlijnen voor de besteding van de tijd en het aardse bezit) voorgelezen en uitgelegd in iedere stad (‘wereldwijd’, Hand.15:21). Niks opleggen aan de heidenen, maar laten zij wel hun oren opzetten en saamhorig worden met het Joodse volk dat ook toen al verspreid was door heel de toenmalig bekende wereld. Alleen bij wie wil horen naar het Woord, kan de Geest de Torah in het hart schrijven (Jeremia 31: 33, Hebreeën 8:10 en 10:16). Het Nieuwe van het Nieuwe verbond is dat de Torah bij heel het volk niet meer van buitenaf hoeft te worden opgelegd, maar via de oren rechtstreeks gaat naar het hart en het verstand.
Vraag 3: Nog eens Paulus
“Zijn we niet te Joods bezig? Is niet alles anders geworden sinds Pasen en Pinksteren? Immers Paulus zegt in diezelfde Galatenbrief “gij zijt allen zonen van God…..is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus.” Hierop doorredenerend zou dus volgens Paulus voor het Joodse volk geen reden en ook geen recht van bestaan meer zijn: in Christus zijn alle mensen gelijk en in Hem is er dus ook geen verschil meer tussen de volken. Ook geen verschil meer tussen man en vrouw?
Het kernwoord in deze ‘gouden tekst’ is niet het woord ‘gelijk’ (staat er ook niet) maar het woord ‘één’, het Hebreeuwse ‘echád’, dat duidt op het ver-éni-gen van twee totaal verschillende elementen tot een eenheid waarbij de afzonderlijke elementen niet met elkaar versmelten maar juist in hun eigenheid worden bevestigd en versterkt. Model voor deze eenheid is de Eenheid van Israëls God Zelf: Hij is de Eenheid van Woord én Geest. Dat wil zeggen: Hij is geen mengsel waarin Woord en Geest hun identiteit verloren hebben en volledig met elkaar versmolten zijn. In Zijn Volstrekte Eenheid is Hij Woord én Geest en die Eenheid wil Hij weerspiegelen in de eenheid van man én vrouw, en in de eenheid van Israël én de volken.
Er is in de Bijbel geen sprake van ‘Griekse’ gelijkschakeling, maar in het Koninkrijk van God zijn wel in relatie tot de Koning alle onderlinge relaties relatief. In deze relatie is het ene volk niet meer dan het andere, is een Jood niet meer dan een Griek en een man niet meer dan zijn vrouw. Ook alle leeftijdsverschillen zijn met betrekking tot de Messias-Koning betrekkelijk: het kind is voor God even waardevol als zijn vader en moeder, en het nog ongeboren mensenkind even beschermwaardig als onze kroonprins of als een kwetsbare politicus. In deze ‘gouden tekst’ wordt absoluut niet gesteld dat in het komende en al aangebroken Rijk van God geen verschil meer zou zijn tussen man en vrouw, en ook geen verschil meer tussen de volken. Het is puur onbijbels om te beweren dat in de toekomst alle volken zouden moeten verdwijnen en zich moeten laten oplossen in één grote ‘volkerensoep’. In de visie van Israëls profeten zijn het geen mensenmassa die optrekken naar Tsion, naar het hart van Israël om Torah-onderwijs te krijgen, maar volken (Jesaja 2:1-4, Micha 4:1-4).
Die ‘volkerensoep’ was ooit de droom van Alexander de Grote en van alle ‘kosmopolieten’ na hem. De droom ook van de AntiChrist die alle mensen en alle volken en alle godsdiensten wil gelijkschakelen, ook het Joodse volk en de Joodse godsdienst. Antiochus Epifanes, die geldt als het historische model van de AntiChrist, heeft dit voor het Joodse volk op een verschrikkelijk wrede wijze gepraktiseerd.
Vraag 4: Wat is Joods? Nieuwe vervangingstheologie? “Wat is vandaag het Joodse volk?”
Voor sommige Christenen is het huidige Joodse volk niet het echte Bijbelse Israël. Het echte Israël wordt vandaag volgens hen gevormd door de Joodse Christenen in Israël. In feite is deze visie een nieuwe vorm (een vernieuwde, verfijnde vorm) van de aloude vervangingsleer. Een leer die voor het Joodse volk zo rampzalig is geweest en nu weer worden kan. Of nog gevaarlijker voor het Joodse volk, want nu wordt niet de Kerk uit de heidenen, maar de Jewish Church = de Joods- Christelijke gemeente in Israël gezien als het nieuwe Israël, dat in de plaats gekomen is van het oude, ongelovige Israël.
In deze nieuwe variant van de vervangingstheologie, gaat men volledig voorbij aan het Bijbelse gegeven dat God na de Uittocht uit Egypte bij de Berg Sinaj een verbond gesloten heeft met héél het volk. Niet met een groepje vrome gelovigen uit het volk maar met ‘Jan en alleman’ zowel met de bewust gelovigen en hun nog onnozele kinderen als met de min of meer ongelovige meelopers. Israël was altijd en is nog steeds een verzameling van diverse individuen en families die samen een `Am ‘Echad vormen: één Volk. Een gegeven dat nog ieder jaar herdacht wordt aan de Pesach-sedermaaltijd in het verhaal over de vier zonen die er alle vier bij horen: niet alleen de verstandige en de eenvoudige en de nog kinderlijke, onnozele zonen, maar ook de ongelovige, onverschillige en kwaadwillige zoon. .
Wat het huidige Joodse volk betreft, voor buitenstaanders lijkt het inderdaad soms een zooitje ongeregeld: vreemdsoortige, ultra orthodoxe gelovigen (20% van de bevolking), streng-orthodoxen (ook 20%) ‘licht’ orthodoxen samen met de vrijzinnig liberalen (40%), pure seculieren (ongeveer 18 %) en Joodse Christenen (ongeveer 2%?). Maar deze innerlijk zeer verdeelde volksgemeenschap, die de Europese vernietigingskampen heeft overleefd en wereldwijd vanuit totaal verschillende volken weer bijeengezameld is in de Staat Israël met de vele vreemdelingen in hun midden, dát ís hét Israël van vandaag, dát ís hét geheiligde Godsvolk dat al vanaf de Sinaj geroepen is om een licht te zijn voor de naties, een priesterlijk volk, een volk van leraren en liturgen, van voorganger en voorzanger in de liturgie van Israëls God (Ex. 19:5,6). Het feit dat het er tot dusver nauwelijks van gekomen is, dat Israël nog steeds niet is wat het mag zijn, nog steeds niet vrijuit zijn unieke positie kan innemen te midden van de volken, ligt voor een bepaald deel wel aan Israël zelf, maar voor een heel groot deel aan de volken die deze uitverkoren positie van Israël niet willen erkennen, daarin gesteund en gestimuleerd door de Kerken.
De Kerken nota bene, met name de vanouds katholieke en orthodoxe Kerken spelen vandaag een duistere rol: zij voorop laten Israël vallen. Maar zo niet de God van Israël, de Eeuwig Trouwe, Hij laat Zijn volk aan wie Hij Zich met een eed verbonden heeft nooit los, ook al laten zij Hem los. Dat is duidelijk gebleken in onze dagen, want toen Hij Zijn volk terugbracht, heeft Hij ook de ongelovige Joden thuis gebracht, zij gingen zelfs voorop!