‘Ziet naar de vogels van de hemel: zij zaaien niet en maaien niet en brengen niet bijeen in schuren, en toch voedt uw hemelse Vader die; gaat u ze niet ver te boven?’
Door Ruben van der Giessen
Vogels spreken voor de meeste mensen tot de verbeelding. Trekvogels leggen ieder jaar duizenden kilometers af boven het aardoppervlak; een fenomeen dat in de Bijbelse tijd al bekend was. De profeet Jeremia schrijft hierover: ‘Zelfs de ooievaar in de hemel kent zijn vaste tijden en tortelduif en zwaluw nemen de tijd van hun komst in acht…’ (Jeremia 8:7). Vogels zijn wonderlijke wezens met elk unieke eigenschappen. Het kleinste vogeltje ter wereld, de kolibrie, is in staat om stil in de lucht te hangen en kan zelfs achteruit vliegen. Een ander voorbeeld is de Albatros, die maanden in de lucht op zee doorbrengen zonder ook maar één keer te landen, of de slechtvalk die met zijn duikvluchten van 350 km per uur het snelste dier op aarde is. Vogels staan symbool voor vrijheid, ze leven van wat ze tegenkomen. Als vogels onvoldoende voedsel vinden, vliegen ze met grootste gemak enkele kilometers verder om hun eten te vinden. De Bijbel vertelt dat als zelfs deze kleine wezens op Gods zorg mogen vertrouwen, dan is Gods voorziening voor de mens vanzelfsprekend. Tegenwoordig hebben veel vogels te lijden onder de invloeden van de mens: hun leefomgeving wordt steeds beperkter, bossen worden gekapt en moeten plaats maken voor woonwijken met betegelde tuinen zonder bomen.
Vanuit een Bijbels oogpunt zijn wij als afgevaardigden van God verantwoordelijk voor Gods schepping, zoals de eerste mens werd aangesteld om de hof van Eden te onderhouden: ’En de Here God nam de mens en plaatste hem in de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren’ (Genesis 2:15). De zorg voor vogels werd uiteindelijk zelfs wettelijk geregeld: ‘Wanneer u onderweg een vogelnest aantreft in één of andere boom of op de grond, met jongen of eieren (en de moeder zit op de jongen of de eieren) dan zult u met de jongen niet ook de moeder wegnemen; De moeder zult u in elk geval laten wegvliegen, maar de jongen mag u meenemen’ (Deuteronomium 22:6,7). In de rabbijnse literatuur vinden we bij dit gebod eenzelfde parallel terug, die Jezus legt in Mattheüs. Rabbi Hiyya vertelde dat als een vogel, die geen verbond of eed heeft om op te vertrouwen, verlost kan worden vanwege haar nageslacht, hoeveel temeer zal God de kinderen van Abraham, Izaäk en Jakob verzoenen, die wel vertrouwen op het verbond, vanwege hun nageslacht in het Messiaanse rijk. Hoewel de vogels en hun eieren als voedsel worden beschouwd voor de mens, geeft de wet van Mozes een goed voorbeeld van een zekere barmhartigheid naar deze dieren. ‘Door deze wet te volbrengen wordt de komst van de Messias bespoedigd,’ zo vertellen de Rabbijnen. Dit wordt gebaseerd op een interessant woordverband met Jesaja 32:20: ‘Welzalig u die naast alle wateren zaait; die voeten van rund en ezel vrij laat’. Het woord welzalig, meshalchej משלחי is afgeleid van het woord shalach שלח, zenden, waarvan ook weer afgeleid is het woord shiluach שילוח, vrijlating, een uitdrukking die gebruikt wordt voor de komst van de Messias. De barmhartigheid voor vogels verwijst naar het komende Messiaanse rijk waarin de mensheid terugkeert naar de oorspronkelijke roeping van de mens om de aarde te dienen en te bewaken. Wie barmhartigheid aan de vogels betoont, laat al een deel van het Messiaanse rijk zien.
Tot slot wijzen de rabbijnen op dezelfde belofte die zowel wordt gekoppeld aan het moeilijkste gebod: ‘Eer uw vader en moeder,’ als aan het makkelijkste gebod: ‘De moeder zult u in elk geval laten wegvliegen…’ namelijk: ‘opdat het u wel ga en u lang leeft’. Misschien kunnen we daaruit afleiden dat we hetzelfde respect moeten hebben voor de vogels om ons heen als dat we hebben voor onze ouders?