Tijdens de verlichting in Frankrijk leefde de schrijver Voltaire. Hij zag de Joden als een koppig, afgezonderd volk, dat een onzichtbare God aanbad en weigerde deel te nemen aan openbare riten, aan de spelen, aan de cultus van de keizer, dat de gastvrijheid van anderen afwees, het voedsel en de wijn die werden aangeboden als teken van hartelijkheid, die paradeerden als de uitverkorenen van hun God, die elke zevende dag hun werk in de steek lieten, wat konden die mensen anders zijn dan mensenhaters, lui, kwaadaardig en intrinsiek slecht?
Hij was het eens met het antisemitisme van Cicero, een belangrijke Romeinse schrijver uit de 2e eeuw: ‘Zij worden allemaal geboren met een hevig fanatisme in hun hart, net als de Bretons en de Germanen geboren worden met blond haar. Het zou mij volstrekt niet verbazen als deze mensen op zekere dag levensgevaarlijk werden voor het menselijk ras…”
(Bron: Omzwervingen, Chaim Potok)
Hier spreekt de oeroude angst van mensen die, net zoals Farao, bang waren dat de Israëlieten hen zouden overmeesteren en in alles de baas zouden worden.