In elke wetenschap wordt gewerkt met modellen of werkhypothesen die dienen als uitgangspunt voor nader onderzoek. Buitenstaanders verwarren wetenschappelijke modellen – wat in feite geloofsuitspraken zijn, veronderstellingen – vaak met feiten. Veel wetenschappers werken dit misverstand zelf in de hand door zo rotsvast te geloven in hun eigen denkmodel, dat ze de indruk wekken dat het al om een werkelijkheid gaat: alsof de evolutietheorie al een feitelijke basis heeft, alsof de oerknal al bewezen is, alsof het mystieke oerdeeltje (het ‘alles omvattende goddelijke begin’) al gevonden is. Terecht noemt men dit ‘wetenschappelijke treurigheid’ (dr. ir. A. van den Beukel).
Deze treurigheid treft men ook aan onder theologen. Uiteraard staat het ieder vrij om te geloven in de theorie van de priester-verteller in Babel die ter bemoediging van de ballingen vrome verhalen verzonnen zou hebben over hun voorgeschiedenis of over de vrome voorgangers in de christengemeentes uit de 2e eeuw na Christus die al prekend het oerverhaal over Jezus van Nazareth in eigen kleuren (hellenistisch – mythologisch) zouden hebben overgeschilderd en onherkenbaar verminkt. Maar men moet ons niet wijsmaken dat hiervoor wetenschappelijke bewijzen bestaan. Deze letterlijk ‘pre-science fiction’ of vóórwetenschappelijke verbeelding zijn in feite geloofsuitspraken die met geloofsuitspraken op basis van de Bijbel overtuigend en ‘onbetwijfelbaar’ bestreden kunnen worden. Immers zoals onwetenschappelijke stellingen met gefundeerde wetenschap bestreden moeten worden, zo moeten vluchtige of slordige theologische geloofsuitspraken bestreden worden met op de Bijbel gefundeerde theologische kritiek.
De Bijbel, dit Meesterwerk van de Heilige Geest, dit literaire Kunstwerk van de Bovenste Plank is tegelijk volop een menselijk boek: door mensen handen heen ontstaan. De Bijbel is ontstaan op de wijze van het brood. In het Joodse dankgebed voor de maaltijd wordt beleden, dat het dagelijks brood (niet de graankorrel, maar het brood!) een unieke gave van God is: ‘U danken wij, HERE onze God, Koning der wereld, Die het brood uit de aarde doet voortkomen’. Wie anders dan Hij kan de graankorrel in de donkere aarde doen sterven en opstaan in veelvoud? Wie anders dan Hij kan uit een mengsel van meel en water een brood doen voortkomen? Maar dit wonderlijke product is ook 100% een menselijk werk: de mens zaait, maait, dorst, maalt, mengt en bakt. Niettemin belijdt men dagelijks in het Joodse dankgebed: het is Israëls God Die dit hele product uit de aarde doet voortkomen. Zo belijden wij dat ook de Heilige Schrift, dit Brood des Levens, volledig Zijn Werk is. Ogenschijnlijk een menselijk ‘baksel’ van toevallig aan elkaar geknoopte teksten uit diverse tijden en culturen met al hun kleinmenselijke tekortkomingen en beperkte blikken, maar in feite een Goddelijk, harmonisch Kunstwerk, waarbij alle logische en chronologische oneffenheden met Meesterhand zijn opgenomen in het Grote Geheel van Zijn Unieke Woord.