Met סכות sukoth, (samekh, kaph, waw, taw), het loofhuttenfeest, verblijft het volk in een סכה sukah (samekh, kaph, he), een loofhut. Dit is in wezen een tijdelijke woning. Men verbleef in een sukah aan de rand van een oogstveld, zodat men niet naar huis hoefde voor de nacht en zo vroeg mogelijk op de nieuwe dag verder kon gaan met de pluk.
Zelfs de veertig jaar dat het volk in een סכה sukah doorbracht is tijdelijk geweest; er was het Beloofde Land dat lonkte, ook al duurde het erg lang voordat men werkelijk daar binnentrok.
In Psalm 27:5 sprak David: “Want Hij versteekt mij in Zijn סכה sukah, hut, ten dage des kwaads, Hij verbergt mij in het verborgene Zijner סתר seter (samekh, taw, resh) geheimenis, verborgenheid; Hij verhoogt mij op een rotssteen.” Beter kon hij het niet zeggen, het is eigenlijk een tegenstelling: wie verborgen moet blijven, zou niet op een rots moeten gaan staan, want dan wordt hij juist van alle kanten gezien. Het woord seter betekent echter ook: uit het zicht zijn. In 1 Samuel 25:20 kwam Abigail op David toe en verraste hem doordat de bergwand, waarvan ze afdaalde, haar uit het zicht hield. Pas op het laatste moment werd ze gezien en daardoor was ze in feite de situatie meester. Is het niet prachtig dat God ook David soms uit het zicht van de vijand hield?
Het woord סתר seter representeert ‘slechts’ iets vluchtigs, niet iets tastbaars, zoals een tent of een woning, doch ‘alleen maar’ een geheimenis, verborgenheid of een zicht dat aan de vijand ontnomen is. Dat klinkt eigenlijk niet eens echt veilig. Echter, volgens dit vers in Psalm 27 was David niet zozeer beschermd door zo’n tijdelijk hutje, maar wel door de Gód van het hutje, want wat Hij goed genoeg achtte voor David, wás ook goed genoeg voor hem! Dat is één van de levenslessen die we allemaal mogen leren: te leven volgens Zíjn maatstaven en die liggen weleens anders dan de onze. Elders in de Psalmen vinden we dat God de duisternis tot Zijn seter, verborgenheid heeft gemaakt. (Psalm 18:11)
Er is nog een andere benaming voor een tent of hut en dat is het woord משכן mishkan (mem, shin, kaph, sluitnun) woning, heilige tent, tabernakel.
In Exodus 26:1 beschrijft God hoe de משכן mishkan, de tabernakel gemaakt moet worden: “De tabernakel moet je maken van tien geweven banen. Deze moeten vakkundig worden geweven van getwijnd linnen garen en van blauwpurperen en roodpurperen en karmozijnrode wol, met een patroon van cherubs.” Twijnen is het om elkaar heen draaien van meerdere enkelvoudige draadjes, door een tegengestelde draaibeweging van de spintol of het spinnewiel. Getwijnd garen is zeer sterk. Hier was absoluut geen sprake van looftakken, die men op het dak moest leggen zoals bij een sukah, maar van prachtig gekleurde stoffen van de hoogste kwaliteit. Het dak was helemaal gesloten en men kon er niet doorheen kijken zoals wel het geval is bij een sukah.
In Numeri 16:24 draagt God het volk op om weg te blijven bij de mishkan, de woning van Korach, Datan en Abhiram. Kort daarop verzwolg de aarde hen met woning en al… Het is niet bekend waarom Korach in een mishkan woonde en niet in een sukah, loofhutje. Misschien woonde hij iets luxer omdat hij priester was? Het staat er niet bij. God zegt veel later tegen het volk: “In סוכת sukoth loofhutten heb ik u doen wonen.” (Leviticus 23:43). Geen melding over het wonen van het volk in een mishkan in die woestijntijd.
Een woordverband met het woord משכן mishkan is het woord משגב misgabh (mem, sin, gimel, bheth) hoge burcht, ontoegankelijke (veilige) hoogte, hoog vertrek, vesting. Woordverband is er omdat de mem en de sin/shin in deze beide woorden voorkomen, waarbij wij opmerken dat volgens de Hebreeuwse taaltraditie de sin en shin door elkaar mogen worden gebruikt in het zoeken naar woordverbanden.
In Psalm 18 jubelt David: “Ik heb U lief, JHWH, mijn Rots, mijn משגב misgabh, Vesting, mijn Bevrijder.” God Zelf is hier Davids Woning, dat is toch heel opmerkelijk te noemen! Veiligheid in de overtreffende trap: geen sukah, loofhutje met een bladerdak, zelfs geen mishkan, woning met een gesloten dak en ook geen seter, geheimenis, maar werkelijk God Zelf ín Wie David woont. Keer op keer komen we deze uitdrukking in de Psalmen tegen: in Psalm 9:9; Psalm 46:7 en 11; Psalm 59:9; Psalm 62:2 en 6. Wat kunnen we veel leren van de intieme relatie die David met God ervoer. Wat een geloofsmoed zien we hier ook want David heeft het in zijn leven stevig voor zijn kiezen gehad. Toch durfde hij God te zien als zijn misgabh, zomaar staande op de rotssteen, daarom hief hij zijn hoofd omhoog. Zijn kracht lag in zijn God. Zo mag ook het volk Israël dit heden ten dage ervaren in alle verdrukking, mag weten dat God haar Hoog Vertrek is, omdat Hij getrouw en standvastig is, gelukkig maar, daar gaan we op staan!