(in verband met Psalm 83)
Woordverband tussen אהב ‘áhabh en אויב ‘ojébh
Volgens de Hebreeuwse taaltraditie is er tussen twee woorden betekenisverband, als er twee letters gelijk zijn. Er is dus samenhang te zien tussen אהב ‘áhabh: liefhebben en אויב ‘ojébh: vijand, of beter vijandige, want ‘ójébh is het deelwoord van het werkwoord איב ‘ájabh, vijandig zijn. Het enige verschil tussen beide woorden is dat in het woord אויב ‘ojébh de letter Jod (י) staat, waar in אהב ‘áhabh (liefhebben) de letter Hé’ (ה) staat. Wat hebben vijandschap en liefde met elkaar te maken? In Psalm 83 spreken de volken hun pure vijandschap uit tegenover Israël: ‘Zij beraadslagen een listige aanslag’, ‘zij zeggen: ‘Komt laten wij hen als volk vernietigen zodat aan de naam van Israël niet meer wordt gedacht’. Dit is puur, Hitleriaans antisemitisme. Hoe kan men zulk soort vijanden nog liefhebben?
De woorden ‘áhabh en ‘ojébh vormen samen de Godsnaam
Het woord ‘áhabh, liefhebben betekent niet alleen de ander respecteren, de ander in zijn of haar eigenheid erkennen en waarderen, maar ook naast de ander gaan staan, zich met hem of haar vereenzelvigen, in het uiterste geval zelfs de schuld van de ander op zich nemen*. De spits van de Bijbelse liefde is vergeven, is doen zoals God gedaan heeft en doet met ons. Hij is het Die de schuld van ons, die Zich vijandig tegenover Hem gedragen, op Zich neemt en wegdraagt, zoals gesymboliseerd wordt in het offerritueel op Jom Kipur (Grote Verzoendag), wat het hart vormt van Torah (letterlijk betekent torah dat onderwijzing). Het is veelzeggend dat de Jod in het woord אויב ‘ojébh en de Hé’ in אהב ‘áhabh samen de verkorte Godsnaam vormen: JáH, dat wij ook kennen in het woord ‘hallelu-jáh’: looft de HERE. In de liefde voor de vijand verschijnt God Zelf, de Altijd Aanwezige, Die onder ons gestalte nam in de Man van Nazareth, Die de Torah heeft vervuld en zijn volgelingen opriep: ‘Hebt Uw vijanden lief, en bidt voor wie U vervolgen, opdat gij kinderen moogt zijn van Uw hemelse Vader/’Abh (Mattheüs 5:44, 45).
Veelzeggend is ook dat zowel in het woord אהב ‘áhabh (liefhebben) als in אויב ‘ojébh (vijandige) het woord אב ‘ábh schuilgaat. Beide woorden verwijzen naar onze hemelse Vader Die in Zijn liefde voor ons als vijanden tot het uiterste gaat.
* Het ‘Griekse’ liefhebben is overwegend emotie en gevoel, het Bijbelse liefhebben is ook daadwerkelijk doen: zich vereenzelvigen met de ander, desnoods de schuld van de ander opnemen en ‘wegdragen’. Het meest typerende Hebreeuwse woord voor ‘vergeven’ is נשא násá’: opnemen en wegdragen (Psalm 32: 5c).
Niet de vijand vernietigen maar beschamen, opdat Israëls God erkennen…
Het is opmerkelijk dat in Psalm 83 waar de vijandige naburige volken uit zijn op de totale vernietiging van Israël, waarbij ook God Zelf uitdrukkelijk betrokken is – ‘zij hebben eensgezind tegen U beraadslaagd, een (volkeren)verbond gemaakt’ (vers 6) – wel gebeden wordt om de ondergang van de vijanden, maar niet om hun totale vernietiging. Israël bidt niet dat de hele volkerenwereld rondom van de kaart geveegd wordt, maar dat zij beschaamd worden: ‘bedek hun aangezicht met schande’, ‘laten zij schaamrood worden en (op deze manier) te gronde gaan’ (vers 17a,18).
Immers je gaat als het ware door de grond, als je publiekelijk te schande wordt gemaakt. We durven ons gezicht niet meer laten zien, als we in het openbaar voor schut gezet zijn: ‘je schaamt je dood!’ Het vervolg is nog opmerkelijker, Israël bidt niet dat de volken voor altijd in hun schulp zullen kruipen en zich niet meer laten zien of horen, maar Israël bidt dat de hele volkerenwereld de God van Israël, de Ene, de Unieke gaat zoeken en leren kennen: ‘opdat zij Uw Naam zoeken, o HERE’ (vers 17b), opdat zij weten dat Uw Naam is: HERE (JHWH, de Altijd Aanwezige), de Allerhoogste van de ganse aarde (vers 19). Israël bidt niet om de vernietiging van de vijanden, maar van de vijandschap, opdat het profetisch visioen verwerkelijkt wordt dat alle volken optrekken naar Tsion om te horen naar Gods Onderwijzing, naar Zijn Torah, zodat er vrede en welvaart komt voor allen: ‘ieder onder eigen wijnstok en vijgenboom’ (Micha 4:1-4).
Israël bidt om het definitieve einde van het ‘eeuwige’ antisemitisme dat ten diepste wortelt in de haat tegen hun God en de Torah die Hij hun gaf op de Berg Sinaj. Antisemitsme is in de kern Sinaj-haat, Torah-haat (zie het artikel ‘Antisemitisme zo oud als de mensheid’).