06-10-2022

Woordstudie: בּרך barakh/ bérékh: zegenen

Een goede vertaling voor het werkwoord  בּרך bárakh, of in de versterkte vorm bérékh is: zegenen en voor het zelfstandig naamwoord בּרכה  bêrákháh: zegen of zegenspreuk . Maar wat is zegenen? In het Hebreeuws is er woordverband tussen בּרך bárakh en דבר dábhar (of in de versterkte vorm dibér דבּר): spreken, een zinvol woord zeggen. Ook in onze taal is er een opmerkelijk (toevallig?) letterverband te zien tussen ‘zegenen’ en ‘zeggen’: zegenen is iets zeggen dat zeer gewichtig is.

Een zegenspreuk is een zin met een zware lading, een ‘ingedikt gezegde’ waarin een lang verhaal in een paar woorden is samengevat. Zoals de zegenspreuk over het dagelijks brood: ‘Gezegend zijt Gij Die het brood uit de aarde  doet voortkomen’, een unieke, zeer compacte zin waarvan de uitleg hele bladzijden kan vullen. Dat ‘God het brood uit de aarde doet voortkomen’, legt dat maar eens uit! Spelen wij hierbij dan geen rol? Is God behalve de Schepper van de wondere graankorrel, die sterft en opstaat in veelvoud, dan ook de Boer die het graan gaat oogsten en de Molenaar die het maalt tot meel en de Bakker die er brood van maakt?

Ook de zegenspreuken die we ontvangen: ‘De HERE doe Zijn Aangezicht over U lichten en zij U genadig’ zijn gewichtige woorden met zo’n zware lading dat we als vanzelf ons hoofd gaan buigen of op onze knieën gaan. Het Hebreeuwse woord voor ‘knie’ is בּרך berekh (dezelfde letters!) en בּרך bárakh als werkwoord kan ook ‘knielen’ betekenen.

Zegenen doen we niet alleen met onze mond, maar ook met onze handen: als Joodse ouders aan de shabbatsmaaltijd hun kinderen zegenen, leggen zij hun de handen op, en terwijl de kinderen gezegend worden buigen zij hun hoofd of gaan ze op hun knieën. Of, in het geval van kleine kinderen: ze zitten op vaders knie!

De zegenspreuken zijn niet alleen gewichtig, ze zijn ook krachtdadig, het zijn krachttermen, die een krachtige uitwerking hebben: er gebeurt iets als er gezegend wordt. Zegenspreuken zeggen is geen woordenspel! Zoals er ook iets gebeurt als er gevloekt wordt: een vloek is een krachtterm die een bepaalde werking heeft. Merkwaardig dat voor beiden in het Hebreeuws hetzelfde woord gebruikt kan worden: ‘Vervloek (bárékh!) God en sterf’, zegt de vrouw van Job (Job 2:9).

Wat gebeurt er dan bij het zegenen of het vervloeken? De eerste keer dat het woord in de Bijbel voorkomt is in het scheppingsverhaal, waar staat dat God de vissen en de vogels gezegend heeft, en later ook dat Hij man en vrouw gezegend heeft en tenslotte dat Hij de zevende dag gezegend heeft (Gen.1:22,28 en 2:3). Wat gebeurt er als God de Schepper een krachtig, zwaar geladen woord uitspreekt over alle levende wezens? Dan gebeurt wat Hij zegt, dan voltrekt zich wat Hij in de zegenspreuk zegt: ‘weest vruchtbaar, vermenigvuldigt u!’ Gods zegen heeft scheppende kracht! Hij schept door Zijn zegenend Woord het wonder van de vruchtbaarheid. Daarom is elke vruchtboom, elke korenaar, elke druiventros, elk vogelei en in het bijzonder elk pasgeboren kind een zegen des HEREN.

En ook schept Hij door Zijn zegenend Woord het wonder van de rust* op de zevende dag. Een rust, die vruchtbaar is op de rustdag zelf – in deze rust, in de dankzegging en de vreugde over Gods scheppend en bevrijdend werk, ontplooit zich ons menszijn ten volle, zijn wij het meest mens, medemens – maar de shabbatsrust wil ook vruchtbaar zijn in heel de week, wil zich voorplanten op alle dagen: een dag niet gerust, niet gerust in de dankzegging, is een dag niet geleefd!

Ook de zegenspreuken, die in Zijn Naam worden uitgesproken, zoals de zegenspreuken van vader Jacob over zijn twaalf zonen en van Mozes over de twaalf Stammen, hebben een scheppende kracht, zij bepalen de geschiedenis van Israël en daardoor mede de wereldgeschiedenis: ook onze persoonlijke geschiedenis is mede bepaald door de ingedekte gezegdes van Jacob en Mozes, met name die over Juda, over de Leeuw uit Juda’s stam.

Merkwaardig dat er letterverband is tussen בּרך bárakh: zegenen en בּרא bára   scheppen: zegenen is scheppen.*

Het is goed er op te letten dat bij de zegenspreuk over het dagelijks brood en ook bij die over de wijn in het weekend, niet deze scheppingsgaven zelf gezegend worden, maar God de Schepper en Bevrijder, de Altijd Aanwezige: Gezegend zijt Gij, Báruch ‘atáh, Die het brood uit de aarde doet voortkomen en Die de vrucht van de wijnstol schept. God wordt gezegend!

Wat gebeurt er als wij God zegenen, als wij zwaarwichtige woorden tegen Hem zeggen? Daar wordt God gewichtiger van, zwaarder, groter. Want wij kunnen God groot maken, groter maken: ‘Maak met mij God groot’ (Psalm 34:4). Dat is niet symbolisch bedoeld, maar letterlijk: door zegenspreuken uit te spreken elke dag, minstens over het dagelijks brood, wordt God groter. Daardoor krijgt Hij een grotere plaats in ons leven en samenleven. Een gezin dat dagelijks dankt aan tafel en in het weekend bij de feestelijke maaltijd de zegenspreuk zegt over de wijn, ruimt een voorname plaats in voor God aan hun tafel, zet Hem in het midden van hun gezinssamenleving, maakt Hem gewichtig, heiligt** Zijn Naam op aarde. Een samenleving die in haar midden ruimte maakt voor de publieke getijdendiensten; voor de dagelijkse morgen- en avondgebeden, waarin de gemeenschappelijke lofzang van het dorp, de buurt of de stad zich kan concentreren, en een volk dat op nationale feestdagen via haar volkslied de lof zingt van Israëls God, maakt een ruimte vrij voor de Goddelijke Aanwezigheid in het land. Want Hij troont op onze lofzegging, op onze zegenspreuken (Psalm 22:4).

Maar een gezin dat geen zegenspreuk meer zegt over het dagelijks brood en dat aan de feesttafel de wijn niet heilig*, een samenleving die geen verantwoordelijkheid neemt voor de dagelijkse publieke lofzang en een volk dat op de nationale feestdagen en bij de opening van het parlementaire jaar geen zegenspreuk meer zegt, maakt God klein, verkleint of verdringt Zijn Aanwezigheid en schept een leegte in het midden van het volksleven, die niet te vullen is met popmuziek en zangfestijnen, met dansparty’s of drinkgelagen, een leegte die aantrekkelijk is voor boze geesten, die een volk van binnenuit ruïneren.

Wat gebeurt er als wij Israël zegenen? Daar wordt Israël zwaarder van, gewichtiger, krijgt het de voorname, leidinggevende plaats in het midden van de volkerenwereld. Maar elk volk dat Israël zegent, wordt er ook zelf zwaarder, gewichtiger door: het gaat delen in de ereplaats met Israël en wordt mede leidinggevend voor andere volken.

Hoe zegenen wij Israël? Wij moeten niet Israël zelf zegenen, maar net als bij brood en wijn God zegenen als de Schepper, Bevrijder en Bewaarder van Israël: Báruchatáh, gezegend zijt Gij, Die Israël als Uw uitverkoren Eerstgeborene in het leven hebt geroepen, hem bevrijd hebt uit Egyptische en Babylonische ballingschap en uit de allerlangste en allergruwelijkste Romeinse ballingschap en hem bewaard en beschermd hebt tegen hun naburige en verre vijanden.

De kortste zegenspreuk met betrekking tot Israël is de shalomwens: bidt Jeruzalem vrede toe.

(Psalm 122:6). Vrede, שׁלים, is niet alleen het slotwoord van de Aäronitische zegen (Numeri 6: 24-26), maar ook het slotwoord van de apostolische zegen: ‘Genade zij u en vrede.’ In feite zijn in de shalomwens alle zegenspreuken gebundeld. Shalom is het meest ‘ingedikte gezegde’ waarmee wij Israël kunnen zegenen, maar ook waarmee wij elkaar mogen zegenen of begroeten. Want elkaar groeten is in feite elkaar zegenen, ook het typische groetgebaar, het opsteken van de rechterhand is in feite een zegenend gebaar: shalom! Dat groeten meer is dan louter woordenspel- en het hand opsteken tegen de buurman meer dan een zinloos, nutteloos ritueel- merken we als een goede bekende ons ineens straal voorbij loopt. Als groeten ons niets deed, zouden we daar niet verbaasd of boos over worden.

Er is woordsamenhang tussen: בּרך bérékh, zegenen; בּכר bêkhor: eerstgeborene en בּכר báchar: kiezen, uitverkiezen. In alle drie schuilt ook het woord בּר bar: zoon. De oudste zoon (bar) is als eerstgeborene (bechor) uitverkoren ( báchar) om mede (samen met de ouders) zorg te dragen voor de dankzegging (bêrákáh) in de huiselijke eredienst.

Notities

* Er is nog een merkwaardigheid die samenhangt met de getalswaarden van de letters van het werkwoord בּרך: de  letter בּ Beth vertegenwoordigt het getal 2, het getal van de verdubbeling, de letter ר Resh is de 2 in de rij van de honderdtallen: 200 en de Kaph is de כּ bij de tientallen: 20; opgeteld vormen zij het getal 222. Deze merkwaardigheid bevestigt de betekenis van het woord בּרך  bárakh: zegenen = ‘verdubbelen’= in hoge mate vermeerderen = vermenigvuldigen, bevestigt de betekenis van de oerzegenspreuk: ‘en God zei: weest vruchtbaar, vermenigvuldigt U en vervult de aarde (Gen.1:28).’ [Het gegeven van de samenhang tussen letters en getallen wordt in deze leergang alleen een enkele keer gebruikt als het heel duidelijk de woordbetekenis kan bevestigen of illustreren. Het spelen met getalswaarden kan nooit het Woord vervangen of iets aan de betekenis toevoegen; waar dat wel gebeurt, gaat het om ‘vrome verdichtsels’].

** Het gebed ‘Uw naam worde geheiligd,’ wordt op de meest simpele wijze verwerkelijkt door God te danken voor ons dagelijkse brood. Heiligen is verbinden met de Heilige: dankzeggingen, zegenspreuken, zijn het belangrijkste bindmiddelen, heiligingsmiddelen, waardoor de schepping in het krachtenveld blijft van de Schepper. Waar de dankzegging verdwijnt, verdort de aarde.

*** Over het onderscheid tussen de Bijbelse godsdienst en de heidense religie: de heidenen brengen offers opdat de goden verzoend worden, Israël brengt dankoffers omdat God verzoend is! Israël probeert niet door offerrituelen of meditatietechnieken op te stijgen tot God, maar maakt hier op aarde plaats voor Hem: Hij troont op de lofzangen van Zijn volk.