Het opgaan van de zon
Het werkwoord zárach זרח betekent opgaan of opkomen en is voornamelijk aan het woord shemesh שמש, (= zon) verbonden. Het woord zárach זרח duidt daarom ook letterlijk op het opkomen van de zon, de zonsopgang (Richteren 9:33, 2 Koningen 3:22, Jona 4:8, Nahum 3:17). Het woordverband met met werkwoord zárar זרר (= verstrooien) benadrukt die eerste lichtstralen die verstrooid worden door de opgaande zon (2 Koningen 4:35).
Daarnaast is ook de stam van het woord mizrach מזרח, het Oosten, afgeleid van het werkwoord zárach זרח.
Het Oosten is namelijk daar, waar de zon opkomt. Hoewel de prediker het opkomen (en ondergaan) van de zon beschrijft als een dagelijks terugkerend fenomeen in een mensenleven (Prediker 1:5), werd de zonsopgang in Bijbelse tijden gezien als een belangrijke markering in de tijd. Het was het einde van een bepaalde periode, een afsluiting en dus daarmee een nieuw begin (Exodus 22:3, Markus 16:2). In Genesis 32:31 wordt het werkwoord zárach זרח voor het eerst gebruikt nadat de worsteling met Jakob heeft plaatsgevonden. De zon komt over hem op als teken van het keerpunt in zijn leven.
Hoewel het werkwoord zárach זרח duidelijk verbonden is aan de zon wordt het niet alleen gebruikt voor de zon, maar daarnaast voor processen die evenals de zonsopgang ook langzaam, gestaag opkomen. Zoals een ziekte die ‘opkomt’ uit de huid (2 Kronieken 26:19), een pasgeborene die ‘opkomt’ uit de baarmoeder (Genesis 38:30) of figuurlijk gezien iemand die ‘opkomt’ uit de aarde of land waar diegene woont; een autochtoon is dus een ‘ezrach אזרח Exodus 12:19, Leviticus 17:15 en 23:42). Daarnaast is er woordverband met de woorden perach פרח (= bloem) en zera’ זרע (= zaad): zowel het zaad heeft als doel op te komen en een bloem komt ook op als knop aan een boom of struik.
De glorie van God als zonsopgang
Het werkwoord zárach זרח wordt tevens gebruikt voor de glorie van God. Op deze manier wordt het verschijnen van God vergeleken met de indrukwekkende, majestueuze opkomst van de zon (Jesaja 60:1). In de zegen van Mozes wordt het geven van de Torah op de berg Sinai beschreven, hierbij komt God op vanuit Seïr, gelegen in het Oosten! (Deuteronomium 33:2). Mozes vergelijkt de grootsheid van de zonsopgang met de opgang van God naar de berg Sinai. Die vergelijking is niet zomaar, want de zon speelde een cruciale rol voor het leven op aarde en om die reden aanbaden vele culturen en beschavingen de zon. Hoewel de volkeren rondom Israël de zon als god1) vereerden, laat de Bijbel geen twijfel over de positie die de zon heeft ten opzichte van Zijn Schepper. In Job 9:7 zegt God de opkomende zon zelfs een halt toe. De opkomst van God is nog grootser dan de zonsopgang en door het werkwoord אמר mar (= spreken, bevelen) hier te gebruiken maakt dat Zijn hiërarchie overduidelijk. Het gebruik van het woord אמר legt namelijk verbinding met het scheppingsverhaal waar de zon op de derde dag geschapen wordt door God (En God zeide, waj’omer ‘ ויומר אלהים, zie Genesis 1:14).
Geestelijke zonsopgang
Hoewel de zon niet alleen een noodzaak is voor het groeien van gewassen en het leven op aarde, brengt de zon ook elke dag licht en warmte. Hij kondigt het einde van de donkere nacht aan, die koud is en vol met roofdieren (Psalm 104:22). Met name in de psalmen wordt God beschreven als dé lichtbron van het leven en wordt Gods aanwezigheid vergeleken met het licht van de zon (Psalm 36:10). Want zoals de zon de energiebron is voor het leven op aarde en zonder zonlicht het leven op aarde verdwijnt, zo is Gods Woord de lichtbron (Psalm 104:2) in ons geestelijk leven en zonder Zijn Aanwezigheid sterft de mens. God is de lichtbron van al het geschapene dat door Zijn Woord geworden is, dus ook van ons aardse, lichamelijke leven. Het werkwoord zárach komt in Psalm 112:4 naar voren waar Gods Aanwezigheid wordt vergeleken met het licht dat opkomt in een mensenleven door de zonsopgang. Zoals het zonlicht dat de nacht doet verdwijnen, zo is Gods Aanwezigheid een licht in de geestelijke duisternis. En daarbij weerkaatst de mens die God als voorbeeld heeft, Zijn licht op anderen. In 2 Samuel 23:4 wordt bijvoorbeeld een Godvrezend leider vergeleken met de opgaande zon, die het gras uit de aarde doet voortkomen. Een rechtvaardige weerkaatst Gods licht en geeft daarmee anderen de mogelijkheid om te groeien. Op deze manier kan de mens z(Z)ijn licht op laten gaan in de geestelijke duisternis (Jesaja 58:10).
De laatste keer dat gesproken wordt over de opgaande zon is in Maleachi 4. De profeet Maleachi spreekt over de dag des oordeels als een verschrikkelijke dag. Maar God zegt dat als die dag aanbreekt, dat is bij zonsopgang, het einde van een periode op aarde is genaderd en dat er een nieuw begin is voor de mensen die God vrezen, voor hen zal God geen brandende oven zijn, maar een rechtvaardige zon (shemesh tsêdáqáh) die over hen zal opgaan, zárach (Maleachi 4:2). Ook in Tsion zal de glorie van God opkomen als een opgaande zon, hoewel overal op aarde de duisternis aanwezig is, zal God verlichting geven (Jesaja 60:1-3, Openbaringen 22:5).
1) Met name Egypte heeft hierin een belangrijke invloed gehad op het volk Israël. De Egyptische zonnegod Ra was één van de belangrijkste goden in Egypte. In Egypte was zelfs een stad die volledig in het teken stond van de zonnegod en zijn aanbidding, Heliopolis (= stad van de zon, gr.) genaamd. De farao’s zelf werden beschouwd als zonen van de zonnegod Ra. Volgens de Egyptische mythologie zou deze god in een boot langs de hemel zeilen waarbij ’s avonds de boot de onderwereld binnenvoer. Een dergelijke gebeuren, dat waarschijnlijk van de Egyptenaren is afgeleid, zien we terug bij de god Helios uit de klassieke oudheid. Deze Griekse god trok dagelijks langs de hemel met een vlammende wagen en vurige paarden (De Romeinen noemden deze god Sol). Daarnaast is opmerkelijk dat in Mesopotamië de zonnegod Shamash heette, een titel die opvallend veel overeenkomsten vertoont met het Hebreeuwse woord שמש shemesh (=zon).