Door Ruben van der Giessen
‘Dit is het begin van hun streven; nu zal niets van wat zij denken te doen voor hen onuitvoerbaar zijn’ (Genesis 11:6).
Als God de generatie van de toren van Babel verstrooit over de hele aarde, is de achterliggende reden dat ‘niets meer ontoegankelijk’ voor hen is. De logica is dat de mensheid in zijn ontwikkeling niet meer te stoppen is. Maar is dit de enige reden? Is elke ontwikkeling van de mens dan een doorn in Gods oog? Voor het antwoord moeten we het woord ontoegankelijk nader bekijken.
Het woord ontoegankelijk wordt vertaald met het woord bátsar בצר dat afsnijden of onbereikbaar zijn betekent. Letterlijk zien we deze betekenis terugkomen bij het oogsten van druiven, waarbij een druiventros wordt afgesneden van de druivenstok en onbereikbaar wordt voor zijn voedingssappen (Leviticus 25:5, 11, Deuteronomium 24:21, Richteren 9:27). Verder betekent het zelfstandig naamwoord batsáráh בצרה droogte of schaarste, waarbij men afgesneden is van alle voedingsbronnen. Er zijn verschillende woorden die afgeleid zijn van het werkwoord batsár: het woord burcht, bitsárón, בצרון een ontoegankelijke plaats, is een plek afgesneden van vijandelijke invloeden. Maar ook de in Leviticus genoemde vrijstad, betser, die afgezonderd is voor de vluchteling en onbereikbaar voor hen die wraak willen nemen. Verder de schaapskooi, bátsráh, een plaats die onbereikbaar is voor roofdieren.
Als we opnieuw naar de torenbouw van Babel kijken, met deze betekenissen in het achterhoofd, dan zien we de ware reden van de toren van Babel: zich volledig van God af te snijden, om ontoegankelijk te worden van Gods invloed. Deze uitleg wordt bevestigd door de profeet Jeremia, die de val van het latere Babel aankondigt: ‘Hoewel Babel naar de hemel opklom en maakte het de hoogte van zijn sterkte ontoegankelijk (bátsar), Ik zal zorgen dat verwoesters er opaf komen, luidt het woord des Heren’ (Jeremia 51:53). De hemel staat synoniem voor God, Babel wilde zich dus loskoppelen van God.
We zien later dat de inwoners van Kanaän zich kenmerken door dezelfde houding als wordt gesproken over de ontoegankelijke steden in Kanaän (Numeri 13:28, Deuteronomium 3:5, Jozua 14:12). Het gaat dus niet alleen om goed beschermde en bewaakte steden, maar ook om een geestelijke houding naar God, een ontoegankelijkheid tot in de hemel (Deuteronomium 1:28, 9:1). De steden in Kanaän zijn net als Babel, losgekoppeld van God. God waarschuwt het volk dat als het afdwaalt en net als Babel ontoegankelijke steden gaan maken, deze door de vijand zullen worden afgebroken als straf van God (Deuteronomium 28:52). Israël gaat inderdaad dezelfde weg op als Babel en begint met het bouwen van ontoegankelijke steden. De waarschuwing wordt waarheid en de koning van Assyrië breekt ze af (2 Koningen 18:13, 19:25). De profeet Hosea vat het kort samen: ‘Ja, Israël heeft zijn Maker vergeten, en heeft paleizen gebouwd, terwijl Juda talrijke ontoegankelijke steden maakte. Maar Ik zal een vuur in zijn steden werpen; dat zal haar burchten verteren’ (Hosea 8:14). De ironie zit hem hierin dat Israël de Kanaänieten om exact dezelfde reden verwoest heeft (Nehemia 9:24). Bovendien zien we dat deze ontoegankelijkheid altijd ten koste gaat van de gewone burger (Jesaja 22:10).
De achterliggende gedachte van de toren van Babel is dat de mens gelijk aan God wilde zijn. Job schrijft dat geen gedachte voor God ontoegankelijk is (Job 42:2). De mensen wilden diezelfde status bereiken met als symbool hun toren. In de eindtijd zal God al deze trots en ontoegankelijkheid wegnemen. De dag des oordeels wordt beschreven als een moment waarop alle ontoegankelijke steden zullen worden vernietigd (Jesaja 2:15, 25:2, Zefanja 1:16). De profeet Jesaja beschrijft de Messiaanse tijd waarbij de ontoegankelijke steden er eenzaam bij liggen (Jesaja 27:10). In Zacharia hoofdstuk 11 wordt een woordspeling gemaakt met het ontoegankelijke woud (ja`ar) יער en de ontoegankelijke stad (‘ir) עיר: Jammer, u cypres, omdat de ceder gevallen is, en de geweldige bomen verwoest zijn; jammert, u eiken van Basan, omdat het ontoegankelijke (bátsar) woud is neergestort (Zacharia 11:2).
Tot slot is er een één aspect waarmee het woord batsar verbonden is, namelijk de komst van Messias: ‘Wie is het, die van Edom komt, in helrode klederen van Bosra, die daar praalt in zijn gewaad, fier voortschrijdt in zijn grote kracht?’ (Jesaja 63:1). De Profeet Jesaja spreekt over degene die uit Bosra komt. Waarom uit Bosra? Na deze woordstudie kunnen we deze vraag beter beantwoorden. Het woord Bosra is afgeleid van batsár. Ten eerste was Bosra een afgelegen stad in Edom, onbereikbaar is de letterlijke betekenis van het woord. Het is God die vanuit Zijn ontoegankelijke positie naar de mensheid komt door middel van de Messias. Ten tweede verwijst het woord Bosra naar de druivenoogst, vandaar dat de beschrijving van de rode kleding verwijst naar het oogsten van de druiven, maar het symboliseert ook het bloed van de vijanden. Deze vijanden hebben zich verbonden met Babel en haar ontoegankelijkheid naar God toe.
Om die reden profeteert Jeremia over de toekomst van deze ontoegankelijke stad: ‘Want Ik heb bij Mijzelf gezworen, luidt het woord van de Heren, dat Bosra tot een voorwerp van ontzetting, van smaad, van verstomming en van vervloeking zal worden en dat al zijn steden tot eeuwige puinhopen zullen worden’ (Jeremia 49:13). De vraag is dus: horen we bij Babel en zijn we ontoegankelijk geworden voor God, afgesneden van de voedselrijke sappen van de druivenstok? Of verbinden we ons met God voor wie niets ontoegankelijk is?