Het woord אלהים ‘elohím is het meervoud van אלוה ‘eloah dat taalverwant is met אלה ‘éláh of ‘aláh: grote boom, terebint. Voor ieder die oog en hart heeft voor Gods schepping is elke grote boom een indrukwekkend verschijnsel: zijn machtige kruin reikt hoog boven ons uit en zijn wortels zitten ergens diep beneden ons, en bovendien stond dit reusachtige gevaarte er al jaren vóór wij bestonden, soms al honderden jaren- en als wij allang gestorven zijn, kan die boom er nog steeds staan. Een indrukwekkend verschijnsel, maar tegelijk ook een symbool van de Grootheid van Israëls God, Die ver boven ons uitreikt in ruimte en tijd.
Maar nu is het merkwaardige dat de Bijbel niet alleen spreekt over Israëls God als Elohim, maar ook over nog andersoortige geestelijke grootheden die boven ons uitreiken in ruimte en tijd. Onderling kunnen ze zeer verschillend zijn. Er zijn ‘elohim die een speciale functie hebben bij de instandhouding van de schepping: scheppingsengelen die in dienst van de Schepper bepaalde levensgebieden onder hun beheer hebben (Genesis 28:10-12). Er zijn ook ‘elohim die mede bepalend zijn voor de menselijke geschiedenis en vooral betrokken zijn bij de leiding van de volkerenwereld: de zogenaamde volksgoden of volksengelen waarvan sprake is in Psalm 82:1,6 en Daniel 10:13,20. In de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel wordt het woord ‘elohím soms weergegeven door aggelos (engel, bode), en zo kwam het ook in de Statenvertaling terecht, bijvoorbeeld in Psalm 8 vers 6: ‘Gij hebt hem (de mens) een weinig minder gemaakt dan de engelen’.
Maar de God van Israël de ‘Elohim die de Tien Woorden sprak, spreekt en spreken zal, is een Grootheid Apart, niet te vergelijken met scheppingsengelen of volksengelen. Hij is de Schepper, de Schepper ook van deze verborgen, onzichtbare, hemelse wezens. Zoals een scheppend kunstenaar ver uitreikt boven het werk dat hij gemaakt heeft – een kunstschilder is een heel ander soort werkelijkheid dan zijn schilderij, en een componist is van een totaal ander soortelijk gewicht dan zijn partituur – zo ook overstijgt de Israëls God al die andere ‘elohim oneindig ver. Hij is de Totaal Andere! Of zoals het kinderlied zegt: ‘Er is geen ander zoals Hij’. Behalve dat Hij de Schepper is van al deze geestelijke wezens in de voor ons verborgen wereld, is Hij ook hun Heer en Meester: het zijn Zijn dienaren, Zijn legerscharen. Hij is de Heer van alle hemelse machten, Hij is de ‘Adonaj Tsêva`oth, de Heer der Heerscharen.
Daarom kan Hij hen ook ter verantwoording roepen en hen vanwege hun wangedrag veroordelen om te ‘sterven als mensen’ (Psalm 82:7).
* Het is opvallend dat in Genesis 35:4 élohim (volksgoden) en ‘éláh (grote boom) in één adem genoemd worden: Jacob begraaft de ‘elohim, de afgodsbeelden die door zijn vrouwen stiekem zijn meegebracht, onder de ‘éláh (terebint) bij Sichem. Hetzelfde gebeurt in Jozua 24:26, maar hier gaat het over de Torah van Israëls God: Jozua schrijft de richtlijnen voor het samenleven met Israëls God op een grote steen die hij neerzette onder de ‘aláh (terebint) ‘op de heilige plaats des HEREN’.
** Elk jaar opnieuw aan het einde van de Grote Verzoendag na het Ne`ilahgebed proclameert het Joodse volk in alle synagogen wereldwijd, dat de God van Abraham, Isaäk en Jacob niet een ‘elohim is, maar zeven keer achter elkaar dat Hij de Elohim is! Zeven keer: het getal van de volheid.