Innerlijk zwijgen
Het werkwoord háŝah betekent zwijgen of stil zijn. Meteen valt de harde ‘s’-klank op, die wordt veroorzaakt door de samech in het midden van het woord. Iedereen zal die harde ‘s’-klank ook in het Nederlands herkennen als iemand stilte gebiedt: ‘ssst!’. Het Engelse ‘hush’ (van het werkwoord: to hush) ligt wat dat betreft nog dichter bij de Hebreeuwse gebiedende wijs: Haŝ. In de Bijbel wordt het werkwoord háŝah eenmalig in de hiphiel-vorm, de doe-vorm, gebruikt. Het wordt vertaald met: het zwijgen opleggen, tot bedaren brengen of stil doen zijn (Numeri 13:30). Maar in alle andere gevallen wordt het gebruikt in de Piél-vorm, de versterkte vorm, als uitroep: Zwijg!, Stilte of Wees stil! Hoewel háŝah inderdaad vertaald wordt met: stil zijn of bedaren, ligt de betekenis eigenlijk veel dieper. Dit komt duidelijk naar voren in Nehemia 8, waar twee verschillende woorden voor stil zijn worden gebruikt. De Levieten brengen het volk tot zwijgen, chásháh (er is wel enig klank-verband!) en vervolgens wordt het volk opgeroepen stil te zijn, háŝah, vanwege een heilige dag: ‘En de Levieten stilden al het volk, zeggende: Zwijgt, want deze dag is heilig…’. Dit illustreert duidelijk dat het werkwoord háŝah niet alleen gaat om stilte met de mond, maar ook stil zijn van het hart. Het is als het ware een innerlijk zwijgen, met je hele wezen tot ontzag komen.
Stilte voor Gods oordeel
Het werkwoord háŝah wordt in de Bijbel verbonden met het oordeel. Zo schrijft de profeet Amos over het Noordelijke rijk van Israël dat in ballingschap wordt gevoerd. Tot tweemaal toe wordt de ontzag-wekkende stilte beschreven die overblijft tijdens Gods oordeel (Amos 6:10, 8:3). Een ander voorbeeld vinden we in Richteren 3. God stuurt de richter Ehud als verlosser naar het volk Israël en voltrekt Gods oordeel aan de onderdrukker Eglon, Koning van Moab. Hoewel iedere Bijbelvertaling standaard vertaalt dat de Koning het bevel tot stilte geeft, is er in het Hebreeuws de mogelijkheid tot een andere belichting van de tekst. De zin verandert namelijk niet van persoonsvorm: ‘Waj’omer dêbhar ŝéther lí ‘élejkhá hamelekh, waj’omer háŝ’, En hij (Ehud) zei: ‘Ik heb een verborgen woord voor u, o koning, en hij (Ehud) zei: ‘Stilte’. In de tekst staat dus niet direct dat de koning opdracht geeft tot stilte waarna iedereen weggaat. Het woord háŝ impliceert Gods oordeel, de omstanders begrepen wellicht dat ze weg moesten gaan als Ehud deze ‘stilte voor de storm’ aankondigde (Richteren 3:19). Zo’n zelfde opvallende keuze voor het woord háŝah vinden we in het boek Numeri, waar het woord voor het eerst gebruikt wordt. Als de twaalf verspieders uit het beloofde Land terugkomen en vertellen over overvloed in het Land, maar ook over de ‘reusachtige’ vijanden, brengt Kaleb het volk tot bedaren. Vreemd genoeg wordt hier juist het werkwoord háŝah voor gebruikt: wajahaŝ kálébh ‘eth há`ám (Numeri 13:30). De vraag is waarom hier niet bijvoorbeeld het werkwoord cháshah wordt gebruikt en waarom de mensen innerlijk moesten zwijgen. Een antwoord hierop kan zijn dat zijn woorden profetisch geladen waren en impliciet reeds verwezen naar Gods oordeel, dat zou plaatsvinden toen de tien verspieders een kwaad gerucht onder het volk verspreidden, waarmee ze twijfelden aan wat God beloofd had. Slechts enkele verzen later lezen we over dit oordeel: ‘Ik zal het met de pest slaan en het uitroeien’ (Numeri 14:11-12).
Verstommen voor Gods Heiligheid
Het volk twijfelde aan Gods soevereiniteit, Zijn Heiligheid, waardoor Zijn oordeel plaatsvond. Het is Gods Heilige aanwezigheid1), die de mens tot innerlijk zwijgen moet brengen: ‘Zwijg voor het aangezicht van de Here JHWH, want nabij is de dag van JHWH’ (Sefanja 1:7)2). Het werkwoord Háŝah, wordt in de helft van de keren gebruikt in combinatie met het woord qódesh, heilig. Zo ook in de profetie van Zacharia waar een oproep wordt gedaan om stil te zijn, als reactie op Gods Heiligheid: ‘Zwijg, Háŝ, alle vlees, voor het aangezicht des HEEREN! want Hij is ontwaakt uit Zijn Heilige woning’ (Zacharia 2:13). In de Bijbel worden meerdere woorden gebruikt voor stil zijn of zwijgen. Het werkwoord háŝah duidt echter niet alleen op een stil zijn naar buiten toe, het gaat ook om een innerlijk zwijgen. Het gaat om een innerlijk ontzag voor God, wanneer Hij zich als De Heilige openbaart: ‘Maar de HEERE is in Zijn heilige tempel. Zwijg voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde!’(Habakuk 2:20). De gehele mensheid wordt opgeroepen tot dit stilzwijgen voor Gods Aangezicht, niemand uitgezonderd. Het werkwoord háŝah wordt gebruikt in de Piél-vorm, de versterkte vorm, de mens wordt niet alleen opgeroepen, het is gebiedende wijs: Zwijg! Het enige dat de mens dan kan doen is schuilen bij Hem. Dat tot uitdrukking komt in het woordverband met chaŝah (zie Sefanja 3:12).
De stemmen zullen verstommen
Er is een opvallend woordverband met het werkwoord hágah, prevelen, mompelen of zoals vertaald in Psalm 1: ‘maar aan des HEREN onderwijs, Torah, zijn welgevallen heeft, en diens onderwijzing, Torah, overpeinst bij dag en bij nacht.’ Nu nog is de tijd van hágah, mompelen, Gods woord overpeinzen3), straks als God in volle glorie verschijnt zal het een Tijd van háŝah, van eerbiedig zwijgen zijn. Interessant is het letterverschil tussen de twee woorden: in het woord hágah staat de letter Gimel centraal, de letter van de beweging, tijdens het peinzen, het mompelen of prevelen komt de mond in beweging. Terwijl juist in het woord háŝah de ‘gesloten’ letter samekh die centrale positie inneemt. De Samekh die staat voor het omringen, het rond worden en daarmee het sluiten, symboliseert daarna de mond die gesloten wordt door Gods aanwezigheid4). Onze innerlijke stem wordt verstomd. Stilte voor het oordeel komt ook voor in Openbaringen 8:1.
1) Er is een duidelijk woordverband tussen met háŝah en hájah, dat betekent aanwezig of erbij zijn. Het is de vierletterige Godsnaam, die van dit werkwoord is afgeleid. Gods naam doet ons innerlijk zwijgen, Gods naam is heilig! (Amos 6:10).
2) Ook hier komt het werkwoord qádash weer naar voren: ‘Hij heeft zijn geroepenen geheiligd’. Alleen degenen die geheiligd zijn kunnen in Gods aanwezigheid verkeren.
3) Afgeleid van het werkwoord hágah is het woord hágíg, een verzuchting, stil gebed. In deze tijd kan de mens nog zachtjes en vol ontzag bidden tot God, totdat Hij zich zal openbaren en zelfs ons prevelen volledig zal verstommen tot een innerlijk zwijgen (háŝah).
4) Het werkwoord háŝah heeft ook woordverband met hámah, mompelen, met gesloten mond geluid maken.
Ruben vd Giessen