Máshal: Heersen als koning, machthebber, gouverneur
Het werkwoord máshal משל betekent heerschappij hebben over of regeren. Deze betekenis hangt nauw samen met de betekenis van het werkwoord málakh מלך (= koning zijn, als koning regeren). Niet alleen is er woordverband tussen deze twee werkwoorden, ook komen ze regelmatig in dezelfde Bijbelteksten naar voren (o.a. Genesis 37:8; Richteren 9:1-6, 2 Kronieken 23:20, Nehemia 9:37). Zo staat er over koning Sihon van de Amorieten en koning Og van Basan dat zij regeerden משל in Transjordanië (Jozua 12:2-5).
Ook Jozef droomde dat hij zou regeren משל en koning (melekh) מלך, zou zijn over zijn familie (Genesis 37: 8). Later regeerde hij inderdaad over het land Egypte als een Egyptische koning onder Farao (Genesis 45:8, 26).
Opvallend is dat Jozef letterlijk regeerde in plaats van de Farao. Jozef had een volmacht van de Farao en representeerde hem, hij was op die manier een evenbeeld van Farao (Psalm 105:20-21). Een andere betekenis van het werkwoord משל máshal is dan ook: lijken op1), een evenbeeld zijn van of gelijk worden aan (Job 30:19; Psalm 28:1; Psalm 49:12; Jesaja 14:10). Zo was het in Bijbelse tijden een gebruik dat de oudste knecht van een familie een volmacht had om huishoudelijke zaken te regelen. Zo had de dienstknecht van Abraham heerschappij משל over al zijn eigendommen (Genesis 24:2, Spreuken 17:2). De dienstknecht was (als) Abraham, hij was zijn evenbeeld. Degene die heerst, Máshal weerspiegelt de superieure macht en geeft dit door naar anderen. Vandaar dat het woord máshal zowel ‘heersen over’ betekent als ‘evenbeeld zijn van’.
Het is dus van belang wie degene is die deze voorbeeldfunctie vervult. In Bijbelse zin is God dé ware heerser niet alleen over Israël, maar ook over de gehele aarde (Psalm 59:14; Psalm 22:29, Job 25:2, 2 Kronieken 20:6). Hij heeft heerschappij over de natuur en heerst voor eeuwig (Psalm 89:10; Psalm 66:7). Dus al lijken aardse heersers hun macht eigenhandig te hebben verkregen, zij ontlenen hun recht aan God (Spreuken 29:27).
Er is niemand hoger dan God die Zijn troon in de hemel heeft en met Zijn koninkrijk heerst over alles (Psalm 103:19). Elke aardse heerser moet dus feitelijk een evenbeeld van God zijn. Zoals Jozef een volmacht had van Farao en de dienstknecht een volmacht van Abraham zo representeert een aardse heerser de hemelse ware heerser, de God van Israël. Een ieder die daarom regeert over anderen zoals een leider van het volk of de eigenaar van een slaaf (2 Kronieken 23:20, Exodus 21:8) heeft daarmee de verantwoordelijkheid het evenbeeld te zijn van de Allerhoogste.
Een dienstknecht kreeg het mandaat van zijn meester, omdat zijn meester erop vertrouwde dat deze zijn taak minstens zo goed zou volbrengen als hij dat zelf zou doen.
Aardse heersers ten opzichte van De Hemelse Heerser
Niet iedere aardse heerser heeft de God van Israël als zijn voorbeeld. Vóór de intrede in het Beloofde Land vertelt Mozes dat als het volk Gods geboden gehoorzaamt dan zal God hen zegenen en Israël zal regeren, mashal over veel volkeren, en niet andersom (Deuteronomium 15:6). Maar door ongehoorzaamheid van Israël geeft God hen in de macht van heidense koningen (Psalm 106:40-42). Zo heersen de Filistijnen met hun koningen over Israël ten tijde van Simson (Richteren 14:4; 15:11). Later spreekt Nehemia het volk toe dat het ongehoorzaam is geweest en dat vreemde koningen over hen zullen heersen משל en zij zullen zijn als slaven (Nehemia 9:37). De Bijbel vergelijkt slechte heersers met een leeuw (Spreuken 28:15), zoals een leeuw zijn prooi verscheurt, zo verscheuren slechte heersers alles op hun pad en roven wat ze kunnen. Als een goddeloze, rasha` heerst, dan klaagt het volk (Spreuken 29:2) en dit is wat ook gebeurde in de Richterentijd. Iedere keer als het volk ongehoorzaam was geweest aan Gods geboden en overheerst werd door de vijand, klaagde het volk en kwam God te hulp met richters die het volk telkens verlosten van de vijand. Net zo als God de heerschappij verbrak van Egypte (Jesaja 19:4) en later ook van Babel (Jesaja 14:5, Exodus 2:23-25) zo zond Hij ook verlossers naar Zijn volk. Een van deze richters, Gideon, werd verzocht te regeren, משל máshal, over Israël. Gideon antwoordde echter dat noch hij noch zijn zoon zou regeren, omdat het God is die regeert over Israël (Richteren 8:22, 23). Later ging zijn zoon Abimelech toch regeren als koning, ondanks het bezwaar van zijn vader Gideon (Richteren 9:1-6).
Mashal: Heersen met Shálóm
Uiteindelijk blijkt het volk Israël een aardse koning te willen die lijkt op de wereldse koningen (1 Samuël 8:5), en niet op God, de Hemelse Koning. Samuël waarschuwt dat een aardse koning niet voldoet aan het hemelse ideaal, maar juist aardse rijkdommen zal verzamelen. Toch krijgt het volk zijn zin en Saul wordt gekroond tot vorst van Israël. Later zou God een verbond sluiten met Koning David dat al zijn nageslacht zal heersen (2 Kronieken 7:18). Deze koningen uit het huis van David moesten volgens de Torah juist een evenbeeld van God zijn (Deuteronomium 15:6). Zij moesten heersen zoals God regeert met vrede, shalom (Job 25:2).
Dit wordt benadrukt door het woordverband tussen het werkwoord משל mashal en שלום shalóm dat dezelfde stamletters heeft. Het ware voorbeeld van heersen is dan ook een koning die God laat heersen (1 Kronieken 29:12; Psalm 22:29). Een van deze koningen wiens naam ook is afgeleid van het werkwoord shalóm is koning Salomo.
Hoewel aardse koningen nooit voldeden aan het hemelse voorbeeld, kwam Koning Salomo in bepaalde perioden gedurende zijn heerschappij wel in de buurt.
Zo regeerde Koning Salomo over alle koninkrijken (1 Koningen 4:21) en zelfs over de filistijnen (2 Kronieken 9:26). Zijn koninkrijk was in dat opzicht een schaduw van het messiaanse koninkrijk.
Zon en Maan als beeld van de Messias
Het messiaanse vrederijk is het voorbeeld bij uitstek van heersen in vrede. In deze heerschappij zal de Messias heerser zijn. God zal Israël verlossen door de knecht des Heren van de vreemde volkeren die hen overheersten (Jesaja 40:10; 49:7). Uiteindelijk zal de Messias als koning regeren over de mens(heid) (2 Samuel 23:3, Openbaringen 11:15). Hier komt ook het woordverband tussen mashal en mashach naar voren.
De eerste keer dat het woord משל mashál gebruikt wordt is in Genesis 1:18 hier worden de zon en maan aangesteld als ‘heersers’ over de dag en de nacht. Hier wordt de basis gelegd voor de grondbetekenis van het werkwoord משל mashál.
De zon en de maan heersen over dag en nacht in een vaste orde en met duurzaamheid (Psalm 104:19). Dit dualisme is een beeld van God en zijn dus daarmee een voorbeeld voor aardse heersers (Psalm 89:37-38, Openbaringen 11:15). Enerzijds wordt God vergeleken met de zon die wijd uitgestrekt is tot de einden van de wereld (Psalm 50:1, Psalm 19:2-6). Anderzijds is de maan het beeld van Gods grootheid en geeft God eer als heerser (Psalm 8, Psalm 148:5-6). Zoals de maan schijnt in de nacht, zo is God aanwezig als lichtbron tijdens het laatste oordeel.
Heersen op ‘micro’ niveau: Hoofd van het gezin
Het werkwoord משל máshal wordt niet alleen gebruikt voor grote en machtige koningen die de aarde regeerden, maar ook voor de individu. Zo zegt God na de zondeval tegen de vrouw dat haar man over haar zal heersen2), máshal (Genesis 3:16). Ook al komt in deze vloek naar voren dat er na de zondeval een bepaalde machtsverhouding zal zijn tussen man en vrouw, toch geeft het werkwoord máshal aan op welke manier de man moet heersen over de vrouw. Want ook hier geldt dat het woord משל máshal zowel ‘heersen over’ als ‘evenbeeld zijn van’ betekent. De mens kan kiezen of hij antwoordt op de Roepstem van God, kiezen wie hij als voorbeeld neemt om diens evenbeeld te zijn, erop te lijken en op die manier te heersen. Na de zondeval kon niet alleen een persoon over iemand heersen maar ook de zonde over de mens (Genesis 4:7, Psalm 19:14), de zonde kan iemand zo beïnvloeden, overheersen, dat de persoon op de zonde ‘gaat lijken’.
Door de zondeval zal de zonde heersen over de mens en dus zal de man een tiran zijn over zijn vrouw. Maar de mens is aangesteld door God om te heersen over de schepping als koning, als evenbeeld van God (Psalm 8:7-9). Als de man kiest om te leven naar Gods gelijkenis (Genesis 1:26), en te heersen, משל, zoals God heerser is over de aarde, zal de man heersen in het gezin naar het evenbeeld van God.
Het regeren naar Gods gelijkenis, naar het messiaanse voorbeeld is de ware opdracht van de man (1 Korinthiërs 11:3, Efeziërs 5:23). De mens heeft de opdracht om zich niet te laten beheersen door de zonde ook al kost dit de meeste moeite (Spreuken 12:24, Spreuken 16:32, Romeinen 6:12, 14).
1) De betekenis ‘lijken op’ komt terug in het zelfstandige naamwoord dat is afgeleid van het werkwoord mashál. Dit woord máshál betekent spreekwoord, spreuk of gelijkenis. Het gaat hierom een uitspraak of verhaal dat lijkt op de situatie waarvoor het bedoeld is.
2) Opvallend is wel dat in Jesaja 3:12 kinderen als onderdrukkers en het heersen van de vrouw als beeld van zwakte wordt uitgedrukt.
Nog een toevoeging:
Een spreuk, een wijs woord, komt van de Overkant naar ons toe. Door wijze gezegdes toont de koning (melekh, afgeleid van málakh: voorgaan, begeleiden en hangt samen met máshal!) dat hij een relatie heeft met de Overkant, dat hij een door God gezondene is.