Bij het bestuderen van het werkwoord פקד páqad stuiten we op een flinke tegenstelling in de Bijbel. Of lijkt dat maar zo? De eerste drie teksten die we hier aanhalen, zeggen hetzelfde: namelijk dat God de ongerechtigheden der vaderen bezoekt (פקד páqad) aan de kinderen. Maar dan is er ook een aantal teksten te vinden die precies het tegenovergestelde aan lijken te duiden. We hebben voor de duidelijkheid ook maar even de soorten ongerechtigheden eruit gelicht.
Laten we, om een beter beeld te krijgen, eerst eens bekijken wat het woord פקד páqad allemaal betekent: Een heel zwaar klinkende betekenis is: boeten; de kinderen zouden dus moeten boeten voor de misdaad van hun ouders, klinkt het streng.
Maar er is meer; páqad betekent ook bezoeken, zoals we al in bovenstaande teksten zagen, het hangt er maar vanaf in welke vertaling we de Bijbel lezen. Nog meer betekenissen: omzien naar, tellen, aanwijzen, aanstellen in ambt. Maar ook: inspecteren, monsteren, missen, toevertrouwen.
Exodus 20:1-5: “Ik ben de HEERE* uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb. Gij zult geen andere goden voor Mijn Aangezicht hebben. Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen dat boven in de hemel is, noch van hetgeen dat onder op de aarde is, noch van hetgeen dat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad עון (avon) van de vaderen bezoekt (פקד páqad) aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht dergenen die Mij haten (שנא sáná).”
Exodus 34:6-7: ‘Als nu de Heere voor zijn (Mozes’) aangezicht voorbijging, zo riep Hij:
“HEERE, HEERE God. Barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid; Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid (עון ávon) en overtreding (פשע pásha) en zonde חטא (chét) vergeeft; Die de schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende (פקד páqad) de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen en aan de kindskinderen, in het derde en vierde geslacht.”
Deuteronomium 5:8-10: “Gij zult u geen gesneden beeld maken, noch enige gelijkenis van wat boven in de hemel is of wat onder op aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de Heere uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad (עון ávon) der vaderen bezoek (פקד páqad) aan de kinderen, en aan het derde en vierde geslacht dergenen die Mij haten (שנא sáná); en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden.”
שנא sáná, haten, een hekel hebben, minder beminnen.
עון ‘avon, ongerechtigheid, zonde, misdaad, schuld. Woordverband met עונן ‘onén, waarzegger, tovenaar.
פשע pesha‘, vergrijp, opstandig gedrag, schending van regels, overtreding. Komt van het werkwoord פשע, pasha‘, afvallig, ontrouw worden.
חטא chét, zonde, komt van het werkwoord חטא chátá’, zondigen, missen, verkeerd doen, in het ongelijk staan.
We hebben meer Bijbelteksten nodig om de context van deze woorden te begrijpen. Maar dan valt iets op: Deuteronomium 24:16: “De vaders zullen niet gedood worden voor de kinderen en de kinderen zullen niet gedood worden voor de vaders; een ieder zal om zijn zonde חטא chét, gedood worden.”
2 Koningen 14:5-6: ‘Het geschiedde nu als het koninkrijk in zijn (Amazia’s) hand versterkt was, dat hij zijn knechten sloeg die de koning, zijn vader, geslagen hadden. Doch de kinderen der doodslagers doodde hij niet; gelijk geschreven is in het wetboek van Mozes, waar de HEERE geboden heeft, zeggende: De vaders zullen voor de kinderen niet gedood worden en de kinderen zullen voor de vaders niet gedood worden, maar een ieder zal om zijn zonde (חטא chét’) gedood worden.’
Wat moeten we hier nu mee? Dit is toch in tegenspraak met de eerdergenoemde teksten? Het is niet goed te begrijpen. Het woord voor zonde in deze tekst kan misschien een verklaring geven. Dit woord חטא chét’ is een vorm van zonde die volgens de verklaring van Rashi uit zwakte voortkomt (de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak). Een glas wijn dat omvalt over een schoon tafelkleed is ook zonde, in die lijn moeten we denken bij dit woord. De wijn in het glas mist z’n doel; wordt niet meer gedronken, ligt over het tafelkleed, ook zonde van het kleed, trouwens. Maar is dat iets om iemand, vader of zoon, ter dood te brengen? Want deze zonde lijkt lichter dan de andere woorden ervoor, welke veel meer te maken hebben met opstandig zijn, dat doet men met voorbedachten rade. “Ontzondig (תחטאני) mij met hysop, dan ben ik rein,” bidt David in Psalm 51:9. Maar uit het volgende blijkt dat dit toch niet de toets is waarom God wel of niet de zoon doet boeten:
Ezechiël 18:19-21: “Maar gijlieden zegt: Waarom? Draagt de zoon niet de ongerechtigheid (עון ávon) des vaders? Immers zal de zoon die recht en gerechtigheid gedaan heeft, en al Mijn inzettingen onderhouden en die gedaan heeft, gewisselijk leven. De ziel die zondigt (חטא chátá’) die zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid (עון ávon) des vaders, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid (עון ávon) des zoons; de gerechtigheid des rechtvaardigen zal op hem zijn, en de ongerechtigheid (רשע rasha) des goddelozen (רשע resha) zal op hem zijn. Maar wanneer de goddeloze (רשע resha) zich bekeert van al zijn zonden (חטא chét’) die hij gedaan heeft, en al Mijn inzettingen onderhoudt en doet recht en gerechtigheid, hij zal gewisselijk leven, hij zal niet sterven.
Hier geeft God Zelf het antwoord op deze vraag: Immers zal de zoon die recht en gerechtigheid gedaan heeft, en al Mijn inzettingen onderhouden en die gedaan heeft, gewisselijk leven. Ondanks wat zijn vader gedaan heeft. Ieder is verantwoordelijk voor zijn eigen leven. We kunnen dan concluderen dat de aard van de zonde niet beslissend is want de woorden voor zonde worden in de verschillende Bijbelteksten door elkaar gebruikt, maar wat bindend is, is dat de zoon zelf niet zondigt, hij lijkt pas in de problemen te komen wanneer hij de weg van zijn vader volgt in zonde.
Maar wat opvallend is aan de tekst waar God de zonden van de vaderen bezoekt aan de kinderen, daar kunnen we dit ook lezen als: voor de misdaad van de vader zie ik om naar de kinderen om te monsteren wat ze missen. Want de vader heeft geen goed voorbeeld gegeven en dus moet de zoon het goede nog leren. Wie is een betere leermeester dan God Zelf? Waar een gemis wordt geconstateerd kan God weer invulling geven. God kan de zoon aanstellen, פקד páqad, in Zijn dienst om dat te doen wat de vader niet deed: God dienen met geheel zijn hart, geheel zijn ziel en geheel zijn verstand. Er is hoop voor de zoon!
Abram en Sarai konden geen kinderen krijgen. Dat moet een diepe pijn zijn geweest in hun leven. Genesis 21:1a: ‘En de HEERE bezocht, פקד páqad, Sara, gelijk als Hij gezegd had.’ Een andere vertaling zegt heel mooi: ‘En de Heere zag om naar Sarai…’ Dat ‘omzien naar’ betekende voor Sarai dat Hij haar naam veranderde, Hij nam de jod weg uit haar naam, een jod is een mannelijk lettertje, deze betekent ‘hij’ wanneer we hem in de grammatica vooraan een werkwoord zetten, Sarai had dus wel een beetje een mannelijke naam. Maar God plaatste de hé in de plaats van de jod, haar naam werd dus Sarah! Een prachtige vrouwelijke naam. De hé aan het eind van een woord geeft aan dat het woord vrouwelijk is. God, Die de grammatica van het Hebreeuws heeft bedacht, gaf Sarah een vrouwelijke letter aan het einde van haar naam en… binnen het jaar baarde ze Izaak. Hoe ontroerend!
Jeremia 31:29-31: “In die dagen zullen zij niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten en der kinderen tanden zijn stomp geworden. Maar een iegelijk zal om zijn ongerechtigheid sterven; een ieder mens die onrijpe druiven eet, zijn tanden zullen stomp worden. Zie de dagen zullen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israel en het huis van Juda een nieuw verbond zal maken. Niet naar het verbond dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage dat ik hun hand aangreep om hen uit Egypteland te voeren; welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de Heere. Maar dit is het verbond dat Ik in die dagen met het huis Israëls maken zal, spreekt de Heere: Ik zal mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. En zij zullen niet meer een iegelijk zijn naaste en een iegelijk zijn broeder leren, zeggende: Kent de Heere; want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de Heere, want ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hunner zonde niet meer gedenken.” God ziet om פקד páqad, naar Zijn volk.
Maar de mooiste tekst is toch wel uit Hosea 2, waar God intens liefdevol spreekt naar Zijn volk, Zijn bruid: “Ik zal over haar bezoeken, פקד páqad, de dagen des Baäls, waarin zij die gerookt heeft en zich versierd met haar voorhoofdsiersel en haar halssieraad, en is haar minnaars nagegaan, maar heeft Mij vergeten, spreekt de HEERE. Daarom, zie, Ik zal haar lokken en zal haar voeren in de woestijn, en Ik zal naar haar hart spreken.” Hosea 2:12-13. Hier bezoekt Hij niet om te laten boeten, maar om liefdevol tot haar hart te spreken. Wat een God is dat! Hij is onnavolgbaar in Zijn trouw.
Voor iedereen die altijd heeft gehoord dat God heel streng de zoon laat boeten voor de zonden van de vader, is deze studie verhelderend en opluchtend. God spreekt naar ons hart, Hij leidt ons in de woestijn en trekt ons mee met koorden van liefde. Wat een geweldige belofte, we hoeven niet gebukt te gaan onder schuldgevoelens, we mogen Hem dienen, Hij monstert ons aan פקד páqad, om in Zijn dienst te staan.
Paqad bestaat uit de Péh, wat betekent: mond en uit een Qoph, wat betekent oog van de naald, en als laatste uit een Dáleth, wat betekent deur. We gebruiken onze mond om onze zonden te belijden, als door het oog van de naald worden we ervan gered door Zijn verzoenend handelen en God Zelf is de Deur waardoor we vervolgens mogen binnengaan in Zijn Koninkrijk.
Binnenwoorden van het woord פקד páqad zijn:
קף qoph, aap. Wie niet door het oog van de naald durft te gaan, wie niet zonde durft af te leggen, die wordt nooit een volwassen mens, die wordt hooguit een na-aper.
פק piq, gewaggel, gewankel, schuldgevoelens en zonden kunnen zo zwaar drukken dat men geestelijk waggelt, wankelt. Men kan dan דק, daq, dun, mager, zwak worden.
קד qed, vuurhaard. Vuur reinigt en loutert, delgt zonde uit. Gos is bij machte om ons heilig en rein voor Zich te plaatsen!