Asaph, de psalmist van Psalm 83 smeekt God om Zich niet stil, niet doof te houden voor het razen van de vijanden rondom Israël. Enige trefwoorden en analyse:
דמם dámam: stil zijn, zwijgen. “O God, houd U niet stil, als doof, zwijg niet!”
חרש charash: doof, zich doof houden.
אויב ojébh: vijand, letterlijk: iemand die zich actief vijandig gedraagt, een vijandige. De vijand raast, maakt tumult, tiert tegen het volk van God en daarmee ten diepste tegen Hem zelf.
המה hámáh: tumult/oproer maken, razen, tieren, brommen, woelen, bruisen.
Woordverband met :
המן Hámán: Haman, de overste van Ahasveros, die raasde tegen het Joodse volk.
שנא sáné: haten. De vijand haat Israël en beraamt een sluw en geheim plan:
ערם áram: opstapelen, netjes (gladjes) worden, glad zijn, slim te werk, een sluw plan beramen.
Woordverband met:
ערום árum: glad, slim. In Gen. 3 wordt dit gezegd van de slang! Dit woordverband zegt alles over de diepste drijfveer van het antisemitisme: de slang zit erachter.
Woordverband met:
ערב árabh: vermengen,
ערב erebh is avond, geen dag en geen nacht. De slang, leugenaar vermengt waarheid en leugen, halve waarheid, eenzijdigheid, éénlijnigheid.
ערל árél: onbesneden, de onbesneden volken beramen een sluw plan.
סוד sod: geheim, plan, vertrouwelijke omgang, overleg. Heimelijk overleg; de samekh is rond, afgesloten, een geheim is een afgesloten iets.
יעץ já`ats: beramen, zich laten adviseren, adviseren, raad geven.
Woordverband met:
יעף já`aph: struikelen, uitgeput zijn. Wie boze plannen beraamt tegen de God van Israël, zal zeker zich uitputten, struikelen en ten val komen.
Eén van de ontroerendste woorden is het woord ‘verborgenen’: “en zij beraadslagen tegen Uw verborgenen.” Vs. 4.
צפן tsáphan: het werkwoord ‘verborgen zijn’.
Woordverband met:
צפית tsáphith: wachttoren
צפה tsápháh: spieden, op de uitkijk staan. Jesaja 21:5.
De verborgenen, die veilig verborgen tegen Gods hart aanliggen, zijn tegelijk de wachters die hoog op de muren staan en gezien worden! Een prachtige tegenstelling!
Joel 2:32: “Op de berg Sion zal ontkoming zijn.”
צפה tsephah: adder. Een addertje onder het gras, ligt verborgen te spieden naar z’n prooi.
Wie zijn die vijandige volken waar Asaph over spreekt? Een opsomming:
אדום Edom: Esau.
Woordverband met:
אדם Adom: rood. Het gebied van Esau/Edom ligt bij Eilat. Daar is de aarde rood.
Esau zei: “Geef mij toch van dat rode, daar.”
אדמה adámáh: aarde, zoals de rode aarde van Edom bij het huidige Eilat.
ישמעאל jishmá`él: Ismaël, zoon van Abhraham en Hagar, de slavin van zijn vrouw Sarah. “Hij zal een wilde ezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen.” Gen. 16:12.
מואב Mo’abh: De kinderen van Moab, de kleinzoon van Abrahams neef Lot, met hen mocht Israël zich niet vermengen. Moab werd geboren uit incest: Lot werd dronken gevoerd door zijn twee dochters, waarna ze één voor één bij hem gingen liggen. Beiden werden bevrucht. Moab was één van de twee kinderen die hieruit voortkwam. Gen. 19:30 etc.
“Geen Ammoniet, noch Moabiet zal in de Vergadering des Heeren komen”.
Bijzondere uitzondering is Ruth, de Moabitische, die zich volledig overgaf aan Israël’s God en zich vereenzelvigde met Zijn volk: “Uw volk is mijn volk en Uw God is mijn God.”
Met deze ontroerende woorden begon haar leven in Israël en zo werd ze de overgrootmoeder van Koning David in de stamboom van Jehoshua, Jezus.
הגרים hágarim: Hagarieten die naast de Ismaëlieten ook genoemd worden als volk. De herkomst van dit volk is ietwat onduidelijk. Waarschijnlijk had Hagar nog meer zonen na Ismaël en is via één van hen dit volk ontstaan.
גבל gêbhál: Gebalieten. De bewoners van Tyrus, de machtige handelsstad.
Volgens Ezechiel 27: 9 waren het slimme mensen. Men was echter niet zo wijs om van Gods volk af te blijven.
Woordverband met:
גרל gêrál: driftig, groot van woede, grimmig zijn.
גבה gáboah: hoog zijn/worden, hoogmoedig, trots, verheven, verwaten.
Hoogmoed is het ergste wat de mens kan overkomen, volgens Psalm 138:6: De hovaardige kent Hij van verre.” Dus niet van dichtbij. Met onze hoogmoed jagen we God van ons af. Hij wil niet meer dichtbij komen, kan ons misschien niet luchten of zien?
אמון Ammon: de andere zoon van Lot door incest met zijn oudste dochter.
Het tegenwoordige Jordanië, met hoofdstad Amman! 80% van de Jordaniers is Palestijns. Men heeft de grenzen vervaagd nadat het Godsvolk weggevoerd was. Men is op het land gaan wonen dat God aan zijn aan Zijn volk heeft gegeven. Laten we hopen dat de Palestijnen een zogenaamd Ruth-volk worden; zich aansluiten bij de God van Israël.
אמלק Amaléq: Amalek, kleinzoon van Esau. Gen. 36:12.
Woordverband met:
עמק émeq, vallei, dal, vlakte. De Amalekieten, de Kanaänieten en Lot woonden in het dal volgens Num. 14:25a.
Woordverband met:
עמק ámaq, diep maken, erger maken.
עמק amoq: amok maken? Beide volken waren vijandig. Amalek viel het volk tijdens de uittocht in de rug aan. Een laffe daad, welke het volk Israël niet mocht vergeten.
פלשת Phéleseth: Filistea, de Filistijnen, kleinzonen van Noach, dia via Cham en Mitsrájim (Egypte) voortkwamen. Zach. 9:6b: “Ik zal de hoogmoed der Filistijnen uitroeien.”
Woordverband met:
פלש phálash: zich wentelen, rollen (in as). Rouw.
פלצות palásuth: beving, schrik. Ook in Jes. 20:4.
צור tsor: Tyrus, de handelsstad, de rots, maar het betekent ook: belegeren.
Het begon goed, Tyrus was de machtige handelsstad in die tijd. Hiram, de koning van Tyrus hielp koning David met het bouwen van zijn huis en zelfs hielp hij later koning Salomo bij de tempelbouw. Toen Salomo hem twintig steden gaf als dank, ging het al wat mis: de steden waren niet goed genoeg in Hirams ogen…
Maar er is meer: in Jesaja 23 wordt beschreven dat God de hovaardij, de hoogmoed van Tyrus gaat aanpakken. Tyrus krijgt banden en een juk om volgens Jeremia. 27:1-2 en ze zal Nebukadnezar, de koning van Babel, moeten dienen.
צוק tsoq: tijd van verdrukking, moeilijke tijd, benauwdheid. Wat een woordspeling!
צואר tsáwar: nek, hals.
Ez. 26:2 “Daarom, dat Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft, Heah! Zij is verbroken, de poort der volken; zij is tot mij omgewend; ik zal vervuld worden.”
אשור ashur: Assur. Zoon van Sem. Genesis. 10:22. Het tegenwoordige Syrië.
Woordverband met:
אשויה áshéwáh: bolwerk, zuil.
Assur was een bolwerk; Israël kocht hen af om hen van het lijf te houden. 2 Kon. 16:7-9. Met het goud en zilver uit het Huis des Heeren liet Achaz, de koning van Juda, zich verlossen uit de handen van Assyrie.
2 Kon. 17:6 “In het negende jaar van Hosea nam de koning van Assyrie Samaria in en voerde Israël weg naar Assyrie en deed ze wonen in Halah en Habor, aan de rivier de Gozan en in de steden der Meden.” Volgens de profetie van Jesaja rekent God af met de hoogmoed van Assyrie, 2 Kon.19.
לוט Lot: neef van Abraham, maar verrassend ook: sluier.
לוה láwáh: zich aansluiten bij, verkeerd gaan. Hier is dit woord niet positief bedoeld; we kunnen verband maken met een sluier. Daar kan men niet goed doorheen zien, alles is vaag.
We zien dat heden ten dage nog altijd: volken spannen samen tegen Israël en er ligt een vaagmakende sluier over Gods Bijbelse belofte aan Israël. De media doen daar nog een flinke schep bovenop. Maar wie de Bijbel leest, kan weten wat de waarheid is: dat God zijn beloften aan zijn volk gestand houdt; Hij blijft Dezelfde, Die dwars door alles heen trouw blijft. Er is hoop: Jes. 25:7: “En Hij zal verslinden het bewindsel des aangezichts waarmede alle volken bewonden zijn, en het deksel waarmede alle natiën bedekt zijn.”
מדין Midian: Abrahams zoon bij Ketura.
Ook al heeft Mozes een Midianitische vrouw, Tsippora, God zegt tegen hem: “Handel vijandelijk met de Midianieten en versla hen; want zij hebben vijandelijke tegen u gehandeld door hun listen, die ze listig tegen u bedacht hebben in de zaak van Peor en in de zaak van Kozbi, de dochter van de overste der Midianieten, hun zuster, die verslagen is, ten dage der plaag, om de zaak van Peor.”
פעור Peor is een offerhoogte. Num. 23:28-30. Een berg in Moab.
In Psalm 106:28 staat: “Ook hebben zij zich gekoppeld aan Bá’al Peor en zij hebben de offeranden der doden gegeten. Verg. ook Hosea 9:10. Kozbi was een Midianitische, die ontucht pleegde met een Israëliet, met het oog op Israël in ongenade te laten vallen.
Num. 25:6-18,
להט láhat: Vlammende, aansteken, in vlam zetten. De psalmist vraagt aan de Here God of Hij de vijanden in vlam wil zetten en wil vervolgen als een wervelwind.
להב lahabh: vlam, lemmet, blinkend scherp.
בהל Báhal: schrikken, opjagen, storen, haastig doen komen.
Het ontroerende hoogtepunt van deze psalm is dat de vijand beschaamd moet worden en dat staat niet op zichzelf maar heeft een doel:
יבש jabash: beschaamd staan, droog vallen. Schaamte kan dor maken.
שוב shubh: omkeren, door schaamte kan men de drang tot omkeren, bekeren ervaren.
בקש báqash: zoeken, vragen, opeisen, raadplegen. Waar gaat het nu allemaal om? Dat de vijand de naam van God gaat aanroepen!
אבד ábhad: verdwalen, dolen, zoek raken, omkomen, verloren gaan. Wat een heftige uitdrukking! Wie wil er nu dat een ander verloren gaat? Maar het gaat om het volk dat uit elkaar moet vallen. Als een volk uit elkaar valt, dan hebben de volksgeesten er waarschijnlijk geen grip meer op. Dan zijn de volksgenoten als individuen waarschijnlijk beter in staat om te kiezen of ze de God van Israël willen kennen.
גוג gog: De volkeren van Gog en Magog, die in Ezechiël 18 op willen trekken tegen het volk Israël om het van de kaart te vegen (waar hebben we dat in recente tijden meer gehoord? Denk aan de Iraanse leider, wiens naam we niet willen noemen op deze mooie dag).
גג gág: dak; gogvolken zijn zgn ‘dakvolken,’ welke een dak boven het hoofd hebben van volksengelen, volksgeesten en overheden. Dezen willen dat het volk onmondig blijft en onbewust van de almacht van de God van Israël. Wanneer het volk in contact zou komen met de God van Israël, dan verflauwt en verdwijnt uiteindelijk de invloed van deze duistere machten. Het volk wordt daarom onderdrukt en gedwongen om het volk Israël uit te roeien en daarmee de God van Israël te doen vergeten. “We hebben niet te vechten tegen vlees en bloed…..”
ידע jáda: kennen, bekennen, gemeenschap hebben met. Misschien is dit wel het meest ontroerende woord uit de psalm. Het gaat er hier niet om dat men van de naam van God weet of gehoord heeft, maar dat men de naam van God kent op de manier van Adam, die Eva ‘bekent.’ Het gaat hier om heel diep gemeenschap hebben met God, wandelen met Hem, zoals Henoch deed. “Mijn volk gaat te gronde door gebrek aan kennis.” Hosea 4:6.
Hier kan bedoeld worden het diepe, intieme kennen van geliefden. Dit is waar het leven van de mens om draait, of waar het om zou moeten draaien: dat we Hem dieper leren kennen, met Hem leren wandelen, meer en meer inzien dat alles maar dan ook alles uiteindelijk om Hem gaat, dat we Hem eer brengen en volledig overgegeven zijn aan Hem. Geloof is uiteindelijk het zeker weten dat Hij heel dichtbij is en zelfs in ons woont; dan gaan we Hem niet meer vragen of Hij erbij wil zijn in deze of gene situatie, maar dan danken we Hem omdat Hij erbij is, Immanuël, God met ons.
Asaph wil de vijand niet vermorzelen, maar hen juist naar God leiden met zijn smeekgebed. “Maak hun aangezicht vol schande, opdat zij, o Heere, Uw naam zoeken! Opdat zij weten (jáda) dat Gij alleen met Uw naam Zijt de Heere, de Allerhoogste over de aarde!”
En zo is dat!
(zie hier een andere woordstudie uit Psalm 83)