Dauw טל is een voorwaarde voor groei
Dauw is een vorm van neerslag, die plotseling ontstaat (2 Samuël 17:12) door grote temperatuursverschillen tussen dag en nacht. Dit natuurfenomeen treedt overal op, maar voornamelijk in de woestijn heeft dit een belangrijke invloed. Dauw טל was in Bijbelse tijden (en ook tegenwoordig) onmisbaar: buiten de regentijd was dit namelijk het enige water dat er was. Niet alleen planten, maar ook dieren zijn afhankelijk van dauw om te overleven in woestijnachtige gebieden met weinig neerslag. De druppels die ontstaan door de dauw zijn schijnbaar van geringe hoeveelheid, maar gezamenlijk kan het een behoorlijke hoeveelheid water opleveren. Een goed voorbeeld hiervan in Richteren 6 laat zien dat als Gideon een met dauw bedekt wollen kleed uitwringt, dit een volle schaal aan water geeft. Van dit principe maken woestijndieren en planten (Spreuken 19:12) dankbaar gebruik. In de zomer wanneer er weinig regen valt, is de dauw nodig voor de rijping van granen en vruchten. Dauw ontstaat ’s nachts (Hooglied 5:2) en bedekt de aarde als een deken.
Het woord tal טל is afgeleid van het woord tálal טלל dat ook bedekken of overdekken betekent. Het belang van dauw in Israël komt onder andere naar voren in Haggaï 1:10 waar staat dat als er geen dauw uit de hemel komt, dan zal er tevens geen oogst meer op de aarde zijn. Toen Israël in de diaspora kwam, heeft men deze noodzaak goed onthouden en is het blijven bidden voor de dauw in het land. Zo werd aan de 9e zegening van het Achttiengebed vanaf de laatste dag van het Loofhuttenfeest Sukkoth de volgende zin toegevoegd: ’Geef regen en dauw טל tot zegen over de aardbodem’. Regen en dauw worden vaak in combinatie met elkaar genoemd, omdat dauw van dezelfde waarde voor het land is als de regen (zie ook Job 38:28, 2 Samuël 1:21, Deuteronomium 32:2). Dauw zorgt net als regen ervoor dat de oogst op aarde kan uitgroeien, net als het andere plantenleven (Daniël 4).
Dauw טל staat symbool voor zegen
De eerste keer dat het woord tal טל gebruikt wordt in de Bijbel is bij de eerstgeboorte-zegen van Isaäk voor Jakob (Genesis 27:28). De dauw is een onmisbare voorwaarde voor de vettigheid van de aarde en de overvloed van koren en wijn in Isaäk’s zegen. Ook Mozes’ zegen voor de stam van Jozef is dat God zijn land zal zegenen met dauw (Deuteronomium 33:13). Bovendien geldt dit tevens voor het gehele volk: Mozes zegent Israël dat het zal wonen in een land van koren en most en waar de dauw van de hemel zal neerdalen (Deuteronomium 33:28).
Het woord tal טל is synoniem voor een gezegend leven, zoals Job aangeeft in zijn vroegere leven nog dauw te kennen op zijn oogst (Job 29:19). In Psalm 133 komt het verband tussen zegen bêrákháh ברכה en tal duidelijk naar voren. De Psalmist spreekt hier van dauw die wordt vergeleken met de zalfolie die over de baard van hogepriester Aäron vloeit, vanaf de Hermon naar Zion, want daar gebiedt de Heer Zijn zegen ברכה bêrákháh (Psalm 133:1-3). Het woord tal טל is daarom eigenlijk synoniem met zegen zoals in Psalm 110: ‘De dauw van uw jeugd’ = de zegen(ingen) van het jeugdig zijn. Daarnaast wordt het Woord van God in de Bijbel ook vergeleken met de dauw (Deuteronomium 32:2).
Uitblijven van Dauw is dus een vloek
Zoals de dauw op het land een zegen is, is het logisch dat uitblijven van dauw het tegenovergestelde is: een vloek (Jesaja 18:4). Zo staat in 1 Koningen 17:1 dat Elia koning Achab vervloekt door te zeggen dat de eerstkomende jaren er geen dauw of regen zal komen. In het klaaglied van David over de dood van Saul en zijn zoon Jonathan roept hij uit dat er als teken van rouw geen dauw op de bergen van Gilboa mag zijn (2 Samuel 1:21). Als Efraïm opnieuw vervalt in afgodendienst wordt het vergeleken met tijdelijke, vluchtige dauw die voor het daglicht al verdwijnt (Hosea 6:4, 13:3).
De oorsprong van de dauw is bij God
Het woord tal טל komt vaak voor samen met het tweelingwoord שמים shámajim (Genesis 27:28, 39; Deuteronomium 33:13, 28). Er wordt dan gesproken over de dauw des hemels. Dauw is water dat uit hemel komt en op aarde neervalt, en daarom als het ware een verbinding tussen het hemelse en het aardse. De oorsprong van de dauw is namelijk bij God (Job 38:28, Spreuken 3:20). Dauw symboliseert een geestelijke aspect, zoals de damp die in Genesis 2:6 de aardbodem bevochtigde. In de profetie van Jesaja komt eenzelfde beeldspraak naar voren. Jesaja spreekt hier over de dauw van God die op de aarde zal komen en degenen die in het stof zijn doet herleven (Jesaja 26:19). Zoals in Genesis bevochtigt deze levengevende dauw de aarde en komt de mens weer uit de aardbodem.
De dauw als Gods zorg
Dauw speelt een belangrijke rol voor Gods volk. Het laat Gods zorg en zegen voor Zijn volk zien. Tijdens de veertigjarige tocht door de woestijn zorgde God voor dauw samen met het manna (Exodus 16:13, 14). De dauw diende als onderlaag voor het manna, als bedekking over de aardbodem (Numeri 11:9). De voorziening van dauw voor het volk Israël wordt ook prachtig gebruikt in een beeldspraak van Hosea. In de toekomst zal God namelijk als dauw zijn voor het volk Israël, waardoor het zal uitgroeien tot een grote boom (Hosea 14:6-8). De Messiaanse profetieën in de Schrift zijn ook verbonden aan de zegenrijke dauw, zoals in Micha: ‘Het overblijfsel van Jakob zal in het midden van vele naties als dauw zijn van de Heere’ (Micha 5:6). Bovendien wordt tevens gesproken over dauw in het Messiaanse vredesrijk. Deze Messiaanse zegen zal zorgen dat de aarde haar opbrengst zal geven, omdat de hemelen hun dauw zullen geven (Zacharia 8:12).