Pesach

Egypte bespot door de tien plagen

Egypte werd vernederd door de tien plagen die het over zich heen kreeg. Tien was ook het aantal Woorden die het volk Israël ontving toen zij bij de berg Sinai waren. Tien is een volheid: de tien vingers, tenen, tien zonen van Jaakov, het Noordelijke Tienstammen rijk ed.

Voordat de plagen begonnen, maakte de God van Israël de farao ervan bewust dat zijn slangen machteloos waren. De farao droeg een hoofdbedekking met het symbool van een uraeusslang met cobrakop erop. Deze slang was het symbool van de cobragodin Edjo uit de Nijldelta.

De eerste plaag is ‘dám’, bloed. (Ex. 7: 20). De bron van leven was voor Egypte de rivier de Nijl. Door het bloedwater stierf al het leven in de Nijl en werden de Nijlgoden Osiris en Hapi van hun voetstuk geduwd. De kikkers overspoelden daarna het geteisterde Egypte. De godin van de vruchtbaarheid, Hekt, een wezen met een kikkerkop werd daarmee belachelijk gemaakt.

De steekvliegen en muggen, die daarna massaal Egypte bedekten, waren het symbool van de god Kepher, een wezen met een mestkeverkop. Door de veepest werden de afgoden Apis en Hathor, afgebeeld met koeienhoofd, gekleineerd.

De zweren kon de godin Sekhmet niet doen verdwijnen en de godin Noet kon het vuur en de hagel die door de God van Israël op Egypte werd afgevuurd niet voorkomen. Senehem, de god met het sprinkhanenhoofd, kon niet voorkomen dat sprinkhanen de hele oogst opvraten.

De duisternis die kwam, was een directe aanval op de zonnegod Ra. De farao werd gezien als de zoon van de zonnegod Amon-Re, ook wel Ra genoemd.

Met de dood van de eerstgeboren zoon stierf ook de goddelijke troonopvolger. Hiermee sloot de God van Israël de reeks oordelen af. Horus was de Egyptische hemelgod en die kon niet voorkomen wat er allemaal gebeurde. Egypte was nu volledig krachteloos gemaakt. Het is precies gegaan zoals God voorspelde in Exodus 12:12: “Ik zal alle Egyptische goden van hun voetstuk stoten, want ik ben de HEER’’.

Bron: deels uit ‘Hier gebeurde het toen’ van Johan Knigge.

 

Wanneer was de uittocht

De uittocht uit Egypte, jetsiat Mitsrajim vond mogelijk plaats in het jaar 1446 voor het begin van de christelijke jaartelling en de intocht dus in het jaar 1406. Echter zijn de geleerden het over Bijbelse data niet altijd met elkaar eens.

1 Koningen 6:1 beschrijft wel heel nauwkeurig de start van de Uittocht: ‘In het vierhonderd tachtigste jaar na de uittocht… in het vierde jaar van zijn regering…. begon Salomo met de bouw van de Tempel.’ Men berekent aan de hand van Assyrische koningslijsten dat het vierde regeringsjaar van Salomo het jaar 966 v.Chr. was.

Gebaseerd op deze koningslijsten kan men het volgende rekensommetje maken: 1446+2014= 3460 jaar geleden dat de uittocht plaatsvond.

Een dankbare ‘mo‘ed’ מועד gedenktijd, waarin we gedenken dat God Israël lang geleden bevrijdde uit de beklemmende tirannie van Egypte, zonder dat het volk er iets voor hoefde te doen. Of toch wel? Het bloed van het lam moest gestreken worden op de deurposten van hun huizen. Ieder jaar mogen wij het verhaal opnieuw persoonlijk beleven. In Exodus 12 :17 staat dat het houden van de Pesachweek met de speciale voedselvoorschriften voor eeuwig van kracht blijft voor het volk Israël. Tot op de dag van vandaag dus. Alleen voor de Joden, zij zijn immers het zichtbare overblijfsel van Israël? Maar… is ieder die in Jehoshua (Jezus) gelooft niet (letterlijk) zaad van Abraham zoals Paulus het stelt in Galaten 3:29?

De God van bevrijding, wat letterlijk jeshuah betekent in het Hebreeuws, bevrijdt ons ook vandaag van b.v. innerlijke tirannieke farao’s die ons leven kunnen beheersen en verwoesten.  Slechte neigingen, verslavingen of b.v. gevoelens van minderwaardigheid en mislukking kan en wil Hij wegnemen door het Bloed van het Lam. Het Lam van Golgotha is in doorlopende lijn het beeld van het Pesachlam, Dat geslacht werd als teken van Bevrijding.

Pasen en Pesach werden door de eerste notsriem, christenen, vanzelfsprekend, op één en dezelfde dag gevierd. Heidense keizers hebben dat enige eeuwen later verboden en bewust een andere ‘Christelijke’ kalender voor dit feest gehanteerd uit antisemitische overwegingen…

Parasha Pesach פֶּסַח.

We lezen Exodus 12:21-51 en Numeri 28:16-25. Ook lezen we Mattheus 27:33-50.

Moshe roept het volk om lammeren te nemen, te weten lammeren die al een jaar oud zijn, dat zijn al flinke beesten. Men moet het slachten en een bosje hysop in het bloed ervan dopen.  Dit bloed wordt vervolgens aan de deurposten van de Israelische huizen in het land Gosen gesmeerd.

In de Parasha van vorige week hebben we al gezien dat hysop een heel klein plantje is in vergelijking met de hoge ceder en dat hysop (Marjolein) een lipbloemige is, het wordt gebruikt ook bij de reiniging van een melaatse, melaatsheid heeft te maken, of kan te maken hebben, met de zonde van de lippen, met kwaadsprekerij. Denk maar aan Mirjam, de zus van Moshe, die geslagen wordt met melaatsheid na haar geklets over de nieuwe vrouw van Moshe.

God geeft de opdracht dat het gebeuren van het slachten van het lam elk jaar van nu af aan moet worden herhaald, herdacht: op de tiende van de eerste maand, de maand Aviv, worden de lammeren in huis genomen en op de veertiende van diezelfde maand worden ze geslacht voor de Pesachherdenking. Men slacht dus niet zomaar een lam, maar een lam waarmee de kinderen in de huisgezinnen al een band krijgen, het is als een huisdier wat vier dagen deel heeft uitgemaakt van het gezin, dit is niet zomaar wat! Het kost dan echt wat om zo’n beestje te slachten, er afstand van te doen en het zelfs deels op te eten. En het moet ook wat kosten, dat is precies de bedoeling. Men moet nadenken over dit lam en het verdriet erover voelen, dan landt het veel meer in het hart waaróm dit offer is of, nog beter: waartoe.

Het bloed aan de deurposten doet de Aanwezige, HEERE, יהוה voorbij hinken, hink-stap-sprong: pasach פָּסַח. Vandaar dat Pesach onder meer het overschrijdingsfeest wordt genoemd: God hinkt-stapt-springt voorbij de deurposten, die zijn ingesmeerd met het bloed en spaart zodoende het leven van de mannelijke eerstgeborenen van zowel van mens als dier.

De farao kan niet anders dan het volk Israel laten uittrekken na de enorme verliezen die elk Egyptisch gezin heeft geleden; ‘Er was geen huis waarin niet een dode was (vs. 30).’ De Egyptenaren jagen het volk Israel weg, er is geen tijd om het deeg te laten rijzen voor het ochtendbrood dus wordt dit op de schouders gebonden en haastig meegenomen (vs. 34) alsmede het goud en zilver wat iedere vrouw van tevoren aan haar meesteres had gevraagd. Daarmee zal later de tabernakel worden versierd. Gauw bakt men van het deeg nog ongezuurde koeken zodat men proviand heeft voor onderweg. Na vierhonderddertig jaar, gerekend vanaf Gods belofte aan Abraham, trekt het volk Israel eindelijk vanuit Egypte en de slavernij weg..

In Numeri 28 stelt God specifiek de offers in de tabernakel in en de specifieke tijden van het Pesachfeest. De avond van de veertiende begint het feest, dan is het in Bijbelse tijdrekening al de vijftiende, want de dag begint altijd wanneer het donker wordt, denk maar aan Genesis 1 waar staat: ‘En het was avond geweest en het was ochtend geweest, de eerste dag.’ De vijftiende is dan ook een Feestdag waarbij niet wordt gewerkt, maar wordt herdacht. Dan viert men nog een aantal dagen door, waarbij in principe wel gewerkt wordt, behalve op de zevende en laatste dag; dit is weer een rustdag. Diverse offers worden in die dagen gebracht, maar de kern is en blijft het offer van dat ene lam dat eerst in huis genomen is. Daar gaat alles om, daar moet de gedachte bij zijn, dit lam wijst uiteindelijk naar Het Lam dat de zonden van de mens op Zich neemt.

Want Hij hinkt, pasach-פָסַח, ook voorbij de mensen op Zijn kruisweg, zo erg gemarteld is hij dat men Shim’on van Cyrene dwingt om Zijn kruis voor Hem te dragen. God hinkt voorbij de deuren in het land Gosen en Zijn kostbare Zoon, het Lam Gods, hinkt ook voorbij de mensen om hen te sparen, wie maar in Hem wil geloven. Het lammetje dat in huis moet worden genomen is een voorgestalte van het Lam dat ook al onder de mensen verkeert voordat Hij Zijn leven overgeeft…

In Exodus geeft God de opdracht dat er van het lam geen been gebroken mag worden en van het Kostbare Lam Gods wordt dan ook geen been gebroken, iets wat juist in die Romeinse traditie wel gebruikelijk is en het gebeurt dan ook wél bij de twee anderen die samen met Hem gekruisigd zijn. Maar Hij geeft de Geest al eerder, nadat Hij uitroept: “Nishlam-נִשְׁלַם: het is betaald, volbracht, volmaakt, héél gemaakt; de strafmaat is vervuld!”

Het Lam, dat precies tegelijk met de lammetjes wordt geslacht en precies op dat moment sterft, volmáákt het alles en het voorhangsel van de tempel scheurt. De prijs is betaald, er is vrede, shalom שָׁלוֹם, tussen God en mens mogelijk. Nishlam en shalom komen van het werkwoord shalam, שָׁלַם: héél zijn en van het versterkte werkwoord shilem שִׁלֵם: betalen. Jehoshua, onze Messias, betaalt de prijs voor de vrede, maakt ons héél! Laat ons dit nooit vergeten, laat ons hier nooit zomaar aan voorbij gaan, laat het ons elke keer weer de tranen van ontroering in de ogen brengen! Wij mogen leven, mogen zomaar God naderen omdat Hij dit deed; het is volbracht: Hij heeft het volbracht!